Uit 23 maart 2024, podcast Op z’n Kop
Na de recente verkiezingen en de verrassende overwinning van de BoerBurgerBeweging (BBB), klonken opnieuw zorgen over de natuur in Nederland. D66-kamerlid Tjeerd de Groot sprak over een verslechtering van de natuurkwaliteit, slechts een week na de verkiezingen. In de laatste aflevering van Op Z’n Kop gingen Marianne Zwagerman en Rick van Velthuysen in gesprek met Seger baron Voorst tot Voorst, directeur van Nationaal Park De Hoge Veluwe, om te achterhalen hoe het werkelijk gesteld is met de natuur en waar we als maatschappij wellicht de balans verliezen.
Voorst tot Voorst ziet een groot probleem in de manier waarop natuurbeheer in Nederland steeds verder is “verjuridiseerd” en “getheoretiseerd.” Hij merkt op dat veel mensen in het natuurbeleid hun kennis uit boeken halen zonder diepgaande praktijkervaring. Deze verjuridisering creëert een situatie waarin natuur niet langer gezien wordt als iets dynamisch en verbonden met mensen, maar als een abstract geheel dat via beleidsregels moet worden beheerd. Voorst tot Voorst stelt dat deze afstandelijkheid leidt tot beperkingen die natuurbeheer belemmeren in plaats van ondersteunen.
Een van de grootste uitdagingen die Voorst tot Voorst ziet, is de uitzonderlijke situatie van Nederland in vergelijking met andere landen. Hij wijst op de hoge bevolkingsdichtheid en het intensieve gebruik van ruimte, iets dat Nederland uniek maakt in Europa. Veel problemen die wij ervaren, zoals de stikstofproblematiek, spelen nauwelijks in andere Europese landen en worden vaak onterecht gelijkgesteld aan situaties in landen zoals Frankrijk. In Vlaanderen komen soortgelijke problemen voor, maar Voorst tot Voorst benadrukt dat dit hoofdzakelijk aan de bevolkingsdruk en het cultuurlandschap ligt. Nederland is geen wildernis; het is een zorgvuldig vormgegeven cultuurlandschap waar landbouw, natuur en menselijke activiteiten verweven zijn.
Een ander belangrijk punt van discussie is de polarisatie in het stikstofdebat, waar de boeren vaak worden neergezet als “de oorzaak van het probleem.” Voorst tot Voorst ziet dit als een ernstige miskenning van de historische en praktische rol van boeren in het Nederlandse cultuurlandschap. De boosheid en teleurstelling onder boeren zijn volgens hem begrijpelijk. De afgelopen jaren zijn zij vaak aangewezen als zondebok voor milieuproblemen, terwijl ze juist essentieel zijn voor het landschapsonderhoud en de productie van voedsel. Bovendien ziet hij dat bepaalde beleidsmakers hebben bijgedragen aan deze polarisatie, wat de dialoog en het vinden van oplossingen bemoeilijkt.
De vraag waarom natuurorganisaties een grotere stem lijken te hebben dan de eigenaren van natuurgrond zelf, raakt Voorst tot Voorst ook. Hij benadrukt dat eigenaars, zoals hijzelf bij De Hoge Veluwe, niet alleen kennis hebben van het gebied dat zij beheren, maar ook direct betrokken zijn bij de dagelijkse praktijk van natuurbeheer. Eigenaren zien de langetermijneffecten van maatregelen en zijn vaak beter uitgerust om de specifieke behoeften van hun land te begrijpen dan landelijke natuurorganisaties die vooral uitgaan van algemene beleidsdoelstellingen. Volgens Voorst tot Voorst is er daarom een disbalans ontstaan waarin de expertise van terreinbeheerders minder serieus wordt genomen dan de stemmen van landelijke organisaties.
Dit gesprek zet aan tot reflectie: misschien is het tijd om het beheer van onze natuur te herzien en te erkennen dat Nederland geen onaangetast natuurgebied is, maar een divers en complex cultuurlandschap waarin landbouw en natuur verweven zijn. Een meer genuanceerde benadering, waarin ook de stemmen van lokale beheerders en boeren worden gehoord, kan mogelijk leiden tot een meer gebalanceerd natuurbeleid. Nederland heeft, door zijn unieke landschapsstructuur, specifieke uitdagingen die om maatwerk vragen. Het erkennen van deze verschillen kan wellicht bijdragen aan een vruchtbaarder en minder gepolariseerd debat over natuurbeheer en stikstof.

Plaats een reactie