Drie methoden voor stikstofreductie: waarom de depositiepotentie-methode efficiënter is

In de stikstofdiscussie worden vaak generieke maatregelen voorgesteld die weinig rekening houden met de specifieke locaties van emissiebronnen en de impact op Natura 2000-gebieden. Het RIVM heeft in haar rapport “Effect van nieuwe inzichten op het bereiken van de NPLG stikstofdoelen” (14 juni 2024) berekend hoe verschillende reductiemethoden bijdragen aan het behalen van de stikstofdoelen. Dit gebeurde aan de hand van twee bekende methoden: de kaasschaaf-methode en de zonerings-methode. Een derde, meer efficiënte methode – de depositiepotentie-methode – werd door het RIVM wel benoemd, maar niet toegepast.

Deze depositiepotentie-methode, ontwikkeld door Gispoint, maakt het mogelijk om emissiereductie veel gerichter in te zetten, zodat een maximaal effect op stikstofgevoelige natuur wordt bereikt. De methode werd eerder gebruikt in het rapport Naar een ontspannen Nederland (Erisman & Strootman, 2021). Dit artikel zet de drie methoden op een rij en legt uit waarom de depositiepotentie-methode superieur is.

1. De Kaasschaaf-methode: generiek en inefficiënt

De kaasschaaf-methode houdt in dat stikstofemissies overal in Nederland met een gelijk percentage worden verminderd. Het voordeel is dat deze methode eenvoudig te implementeren is, maar het grote nadeel is dat de emissiereductie op sommige plaatsen weinig effect heeft op de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.

Bijvoorbeeld: een veehouderij in Noordoost-Groningen kan fors reduceren, maar omdat de ammoniak daar nauwelijks bijdraagt aan depositie in een kwetsbaar natuurgebied, is het effect gering. Dit leidt tot een dure en weinig effectieve aanpak.

2. De Zonerings-methode: betere focus, maar niet optimaal

De zonerings-methode, die ook door het RIVM is doorgerekend, richt zich op emissiereductie binnen een bepaalde straal (bijvoorbeeld 500 meter) rondom Natura 2000-gebieden. Dit is al een verbetering ten opzichte van de kaasschaaf-aanpak, omdat emissiereductie dichter bij kwetsbare natuur sneller tot een lagere depositie leidt.

Toch is ook deze methode nog niet optimaal. Een uniforme reductie binnen 500 meter of 1 km houdt geen rekening met de specifieke impact van emissiebronnen op verschillende natuurgebieden. Niet alle stikstofgevoelige natuurgebieden worden even zwaar belast, en sommige emissiebronnen hebben veel meer impact op depositie dan andere.

3. De Depositiepotentie-methode: gericht en kosteneffectief

De depositiepotentie-methode van Gispoint biedt een nóg gerichtere benadering. In plaats van een generieke emissiereductie of een vaste bufferzone, bepaalt deze methode welke gebieden (op een resolutie van 1×1 km) de grootste impact hebben op de stikstofdepositie in álle Natura 2000-gebieden.

De kern van deze methode is:
✅ Maximale depositiereductie per ton verminderde emissie
✅ Doelgericht reduceren in gebieden die de meeste depositie veroorzaken
✅ Minder emissiereductie nodig voor hetzelfde resultaat

Uit berekeningen met deze methode blijkt dat:

  • Met slechts 38% emissiereductie in de landbouw al 74% van de stikstofgevoelige natuur onder de Kritische Depositiewaarde (KDW) kan worden gebracht (RIVM-doelstelling voor 2035).
  • Bij een generieke kaasschaaf-aanpak is hier tot 60% reductie voor nodig.
  • Bij inzet van internationale maatregelen (bijvoorbeeld reductie van stikstofdepositie vanuit Duitsland en België) kan zelfs met 26% emissiereductie in de landbouw al 74% van de natuur onder de KDW worden gebracht.

De methode maakt gebruik van depositiekaarten waarin exact te zien is welke gebieden de grootste stikstofdruk uitoefenen op kwetsbare natuur. Dit betekent dat maatregelen zoals emissiearme stallen, voermaatregelen of bedrijfsverplaatsing precies daar worden ingezet waar ze het meeste effect hebben.

Praktische toepassing

Als deze methode wordt toegepast in beleid, betekent dit concreet:
📍 Gerichte maatregelen rond gebieden met hoge depositiepotentie (in plaats van generieke krimp van de sector)
📍 Internationale samenwerking om grensoverschrijdende emissies aan te pakken
📍 Efficiëntere verdeling van subsidies en investeringen in emissiereductie

Conclusie: Slim sturen leidt tot sneller resultaat

De depositiepotentie-methode is een veelbelovende manier om stikstofdoelen sneller en tegen lagere kosten te behalen. De traditionele methoden die nu in beleidsstukken worden gebruikt – zoals de kaasschaaf-methode en zonerings-methode – zijn minder efficiënt en resulteren in hogere kosten voor minder effect.

Hoewel het RIVM deze methode erkent als de meest efficiënte aanpak, wordt hij nog niet toegepast in officieel beleid. Dit betekent dat Nederland nog steeds vastzit aan een dure en minder effectieve stikstofstrategie, terwijl er een wetenschappelijk onderbouwd en bewezen beter alternatief voorhanden is.

De vraag is nu: wanneer gaat het beleid deze inzichten toepassen?

Plaats een reactie