Afgelopen week verscheen in De Telegraaf een artikel op basis van een lek uit de Haagse wandelgangen. Volgens dit bericht zouden 1800 boerenbedrijven in de zogeheten ‘bufferzones’ tot 250 meter van Natura2000-gebieden vallen. Minister Femke Wiersma van Landbouw zou daardoor op korte termijn geconfronteerd worden met de harde opgave om deze bedrijven te laten innoveren, verplaatsen of zelfs stoppen. De suggestie is dat deze bedrijven allemaal in een straal van 250 tot 500 meter van stikstofgevoelige natuurgebieden liggen, en dat hun toekomst daarmee onder druk staat. NSC en VVD reageerde op Boerderij.nl. Ook de BBB gaf snel een reactie overigens op hun eigen website.
Het is een schokkend getal dat veel media-aandacht trok. Maar klopt het wel? Wie goed naar de beschikbare data kijkt, ziet al snel dat dit aantal niet alleen onwaarschijnlijk is, maar ook niet strookt met de werkelijke situatie op het platteland.
Realistischere aantallen
Laten we de cijfers naast elkaar leggen. In de Gelderse Vallei, één van de meest stikstofgevoelige regio’s van Nederland, spreken gebiedsbeheerders over ongeveer 35 boerenbedrijven die binnen een afstand van 250 meter van een Natura2000-gebied liggen. In de Peelregio in Noord-Brabant en Limburg — een andere stikstofhotspot — worden op basis van tellingen van boeren zelf gesproken van enkele tientallen bedrijven binnen deze afstand.
Een analyse van GIS-data in drie provincies (Limburg, Brabant en Gelderland) komt uit op 945 agrarische bedrijven binnen 250 meter van een Natura2000-gebied. Het gaat daarbij specifiek om veehouderijen: pluimvee, varkenshouderijen en melkvee. Data uit andere provincies is helaas niet openbaar beschikbaar, wat het lastig maakt om een exact landelijk beeld te schetsen. Maar extrapolatie op basis van deze drie provincies wijst eerder op een totaal aantal van ongeveer duizend bedrijven, niet 1800.
Ook binnen de melkveesector zijn schattingen beschikbaar. Interne analyses wijzen erop dat zo’n zeven procent van de melkveebedrijven binnen een afstand van 500 meter van een Natura2000-gebied ligt. Landelijk komt dat neer op maximaal zo’n 950 bedrijven.
Een veel aangehaalde bron is een rapport van Wageningen UR uit 2013, waarin het totale aantal bedrijven binnen 250 meter van een Natura2000-gebied werd geschat op 1.279. Daarvan waren ongeveer 1000 melkveehouderijen, 231 varkensbedrijven en 89 pluimveehouderijen. Maar dat rapport is ruim tien jaar oud. Sindsdien is er veel veranderd: saneringsregelingen, verplaatsingen, bedrijfssluitingen en schaalvergroting hebben het landschap ingrijpend hertekend. Het is dus volkomen misleidend om deze oude cijfers als actuele realiteit te presenteren.

Wat wordt eigenlijk bedoeld met ‘de bufferzone’?
Bij deze discussie moeten we scherp blijven op de precieze termen. Niet elk Natura2000-gebied is stikstofgevoelig. Veel gebieden zijn bijvoorbeeld gericht op water- of moerasnatuur, waar stikstof een ondergeschikte rol speelt. Daarnaast is de staat van instandhouding van gebieden van belang: in sommige gebieden is de natuur juist in redelijke tot goede conditie. Het verschil tussen een bufferzone rond een kwetsbaar heidegebied met hoge ammoniakdruk en een zone rond een stabiel elzenbroekbos is groot — maar in het politieke en mediadebat wordt dat onderscheid zelden gemaakt.
Daar komt bij dat de term ‘bufferzone’ niet wettelijk is gedefinieerd. Gaat het om 250 meter? Of 500 meter? Of een kilometer? En hoe meet je dat precies — vanaf de rand van het natuurgebied, of vanaf de meest stikstofgevoelige habitat? Zonder helderheid daarover zijn grote getallen vooral geschikt om angst aan te jagen, niet om beleid op te baseren.
Van lek naar paniekzaaierij
Het lekken van het getal 1800 naar de media roept vragen op. Wie heeft belang bij dit narratief? Waarom wordt het getal gebracht als een feit, terwijl het op geen enkele recente en betrouwbare bron gebaseerd is? En vooral: waarom lekt een ambtenaar zulke gevoelige informatie naar een krant?
Een goed functionerende democratie vereist dat bewindspersonen hun werk in een veilige omgeving kunnen doen. Als ambtenaren met een eigen agenda proberen het beleid via de media te sturen, is er sprake van bestuurlijke ondermijning. In een vergelijkbare situatie rondom pensioendossiers deed minister Eddy van Hijum recent aangifte tegen een ambtenarenlek. Terecht, want dit is geen onschuldige fout — het is sabotage van het democratisch proces.
Als ministers niet langer kunnen vertrouwen op de loyaliteit van hun ambtenaren, zijn we nog verder van huis dan we dachten. De minister moet de regie voeren, niet anonieme individuen met een geheime agenda. Daarom roep ik minister Wiersma op om hetzelfde te doen als Van Hijum: aangifte doen, en openheid eisen over wie deze cijfers naar buiten heeft gebracht.
De boer verdient duidelijkheid, geen dreiging
Het is belangrijk om te beseffen wat een getal als ‘1800 bedrijven’ oproept. Voor boeren betekent het onzekerheid, angst en de voortdurende dreiging van onteigening of sluiting. Voor het publiek creëert het een beeld van een sector die massaal ‘de schuld’ zou zijn van stikstofproblemen, terwijl de werkelijke situatie veel genuanceerder ligt.
Beleid moet gebaseerd zijn op correcte, actuele data — niet op verouderde rapporten of anonieme lekken. En bovenal: het moet menselijk zijn. Geen enkele boer mag als ‘probleem’ worden aangemerkt puur op basis van de ligging van zijn erf, zonder inzicht in wat zijn bedrijf werkelijk bijdraagt aan de stikstofdepositie.
De stikstofdiscussie is al complex genoeg. Wat we nodig hebben is bestuurlijke rust, openheid en eerlijkheid. En een overheid die kiest voor samenwerking in plaats van stigmatisering.

Plaats een reactie