Op vrijdag 25 juli 2025 vond er een bijzonder kort geding plaats tussen de Farmers Defence Force (FDF) en de Nederlandse Staat, specifiek de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). De zaak draaide om het lot van de zogenoemde PAS-melders: boeren die op basis van het inmiddels buiten werking gestelde Programma Aanpak Stikstof (PAS) destijds géén vergunning hoefden aan te vragen, maar konden volstaan met een eenvoudige melding. Velen van hen bevinden zich sinds de vernietiging van het PAS in 2019 in een juridische wurggreep. FDF probeert via het kort geding de legalisatie van een aantal van deze boeren af te dwingen.
Opvallende wending: tijdens de zitting diende Milieudefensieorganisatie Mobilisation for the Environment (MOB) een verzoek in om zich te mogen voegen in de procedure – tegen FDF, dus aan de zijde van de Staat. De rechter heeft dit verzoek uiteindelijk ingewilligd.
De inzet van MOB: twee hoofdargumenten
De vertegenwoordigers van MOB openden hun betoog met de stelling dat zij in deze zaak partij behoren te zijn. Hun verzoek tot voeging was gebaseerd op twee hoofdargumenten:
- MOB wordt regelmatig in de media genoemd door FDF, en zou dus direct belanghebbende zijn in deze zaak.
- MOB heeft een zwaarwegend belang bij de bescherming van de natuur, en dat belang zou door een beslissing in dit kort geding geraakt kunnen worden.
Daarnaast bracht MOB enkele aanvullende argumenten naar voren:
- De organisatie houdt zich al sinds 2019 intensief bezig met PAS-gerelateerde zaken en beschikt over juridische en inhoudelijke kennis op dit dossier.
- MOB stelt dat zij pas via de media hoorde van het kort geding en dus niet vooraf was geïnformeerd.
- Men is in principe niet tegen legalisatie van PAS-melders, mits de Staat de stikstofemissies met 50% reduceert richting 2030 – een voorwaarde die MOB als essentieel beschouwt. Deze 50%-eis is echter geen juridisch criterium, maar eerder een politiek standpunt van MOB.
- Tot slot stelt MOB dat legalisatie zonder aanvullende maatregelen zou indruisen tegen de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), wat volgens diverse juristen niet juist is.
Reactie van de Staat: voeging ongewenst
De landsadvocaat – sprekend namens de Staat – stelde zich helder op. De minister heeft de wil en intentie om PAS-melders te legaliseren, binnen de kaders van het recht. Daarbij wees de Staat het verzoek tot voeging van MOB van de hand met drie duidelijke argumenten:
- Een kort geding zoals dit gaat over voorlopige voorzieningen en kan niet leiden tot ecologische schade, aldus de jurist van de Staat. Er is dus geen reden voor een derde partij om zich zorgen te maken.
- MOB heeft geen eigen vordering in deze procedure. Als MOB iets wil afdwingen of aanvechten, kan dat via een eigen procedure, los van deze zaak.
- Tot slot benadrukte de Staat dat MOB de voortgang van de zaak niet onnodig mag frustreren. Voeging zou volgens de Staat slechts tot vertraging leiden.
De repliek van MOB: “Wij staan aan dezelfde kant”
MOB liet het er niet bij zitten. In een tegenreactie stelde zij juist hetzelfde belang te dienen als FDF en de Staat: namelijk het vinden van een juridische oplossing voor de PAS-melders. Wel plakte MOB daar haar eigen voorwaarde aan vast: een verplichting tot 50% emissiereductie in 2030 .
Verder stelde MOB dat het belang van de natuur zwaarder moet meewegen, óók in een kort geding. En hoewel de organisatie de Staat regelmatig in juridische procedures voor de rechter daagt, benadrukte zij dat zij niet tegen de individuele PAS-melders procedeert. MOB ziet zichzelf dus als een partij die – zij het kritisch – mee wil denken aan een oplossing.
De rechter beslist: voeging toegestaan
De rechter nam de argumenten in overweging en kwam tot een genuanceerd oordeel. Het eerste argument van MOB – dat zij wordt genoemd in de pers – werd niet gehonoreerd. Zulke verwijzingen zijn volgens de rechter niet voldoende reden om je te mogen voegen in een lopende zaak.
Het tweede argument – het natuurbelang – werd daarentegen wel gehonoreerd. De rechter oordeelde dat het “niet valt uit te sluiten dat legalisatie van de zeven PAS-melders gevolgen heeft voor de staat van de natuur”. En hoewel het kort geding niet meteen tot vergunningverlening leidt, zou een uitspraak mogelijk wel druk zetten op het verdere beleidsproces.
Op basis daarvan besloot de rechter dat MOB zich mag voegen in de zaak aan de kant van de Staat, dus tegenover FDF.
Analyse: een principiële en strategische stap van MOB
De beslissing van de rechter is juridisch verdedigbaar, maar wakkert wel het bredere debat aan over de rol van maatschappelijke organisaties in individuele rechtszaken. Want hoewel MOB formeel zegt zich niet tegen individuele boeren te keren, voegt zij zich nu expliciet in een procedure waarin zeven boeren hun juridische status proberen te herstellen.
Bovendien is de toevoeging van MOB vooral strategisch: door zich te voegen, kan zij actief pleiten tegen een juridische oplossing zonder dat zij zelf het risico loopt een eigen procedure te verliezen. En hoewel MOB stelt ‘aan dezelfde kant’ te staan als de Staat, is dat slechts in woorden. In de praktijk houdt MOB vast aan een eigen politieke eis (50% emissiereductie), die buiten de reikwijdte van dit kort geding valt.
Tot slot
Het wordt nu aan de rechter om op korte termijn te oordelen over de eis van FDF: moet de Staat gedwongen worden om zeven PAS-melders per direct te legaliseren? Wat de uitkomst ook wordt, duidelijk is dat de stikstofimpasse zich verplaatst (weer) van de politieke naar de juridische arena, en dat MOB daarin opnieuw een actieve rol claimt.
De rechter stelde dat niet met zekerheid kan worden uitgesloten dat legalisering van de PAS-melders tot verslechtering van de natuur leidt. Ze benadrukte daarbij uitdrukkelijk dat dit niet betekent dat verslechtering daadwerkelijk zal optreden. Maar juist omdat uitsluiting niet gegarandeerd is, oordeelde de rechter dat MOB als belanghebbende moet worden toegelaten.
PS lees ook het verslag van FDF “KORT GEDING FDF TEGEN DE STAAT – KORT VERSLAG”

Plaats een reactie