Besturen in plaats van modelleren: hoe we uit de stikstofklem komen – Lezing Terug naar onze toekomst II: Zaterdag 29 November (GraanGeluk)

Nederland zit vast. Niet omdat er geen oplossingen bestaan, maar omdat bestuur en rechtspraak een technocratische bocht hebben genomen waaruit we lastig terugsturen. In de publieke verbeelding bestaat er een “verstikkende stikstofdeken” die overal even dik ligt en iedere ontwikkeling lamlegt. In de praktijk is de werkelijkheid – zoals zo vaak – genuanceerder. Er ís natuurzorg nodig en er ís lokale overbelasting, maar het huidige systeem reduceert natuurkwaliteit tot rekenregels en zet daarmee bestuur, boeren, bouwers en burgers klem.

Ik ben ingenieur en voedseltechnoloog. Jarenlang ontwierp ik fabrieken, van bakkerijen tot zuivel, in binnen- en buitenland. De afgelopen twee jaar werk ik bijna fulltime aan het stikstofdossier. Niet omdat ik boer ben of een politiek programma wil uitrollen, maar omdat ik zie hoe een briljante Europese gedachte – bescherm natuurgebieden en bewaak hun kwaliteit – in Nederland is teruggebracht tot een rekensom die alles overstemt.

De Vogel- en Habitatrichtlijn vraagt lidstaten natuur aan te wijzen en de kwaliteit daarvan in stand te houden. In Nederland is die brede kwaliteit echter versmald tot één indicator: stikstofdepositie. We hebben voor elk Natura 2000-gebied Kritische Depositiewaarden (KDW’s) vastgesteld en die verankerd in nationale wet- en regelgeving. Vervolgens hebben we een model (AERIUS/OPS) als “radar” naast het snelheidsbord geplaatst: als de berekende bijdrage de norm benadert, is het antwoord ‘nee’. Het gevolg is bestuurlijke verlamming: vergunningverlening stokt, projecten vallen om, bedrijven vertrekken, en zelfs defensie stuit op rode lampjes.

Het dominante verhaal stelt dat overal dezelfde deken ligt. Kijk je naar emissies en concentraties, dan verschijnt een ander beeld. Reactieve stikstof komt ruwweg in twee smaken: ammoniak (NH₃) en stikstofoxiden (NOx). In grote lijnen is de landelijke emissiebalans ongeveer half-half verdeeld tussen NH₃ en NOx. NOx is vooral verbrandingsgerelateerd (verkeer, industrie, CV-installaties); ammoniak komt vooral vrij uit de veehouderij – met name wanneer urine en feces samenkomen en via enzymatische processen NH₃ vormen. Dat proces wordt versterkt door hogere temperatuur, eiwitrijke voeding en een hogere pH; het wordt afgeremd door scheiding van mest en urine en door verlaging van de zuurgraad.

Satelliet- en metingen in het veld laten patronen zien: NOx concentreert zich in de verstedelijkte en geïndustrialiseerde zones (Randstad, Antwerpen, Ruhrgebied), terwijl ammoniak vooral zichtbaar is in intensieve veehouderijregio’s, met hotspots zoals de Gelderse Vallei. Aan de kust – weinig veehouderij, veel wind – liggen de ammoniakconcentraties duidelijk lager. Dat is geen “alles-of-niets” plaatje maar het toont: het probleem is geografisch gedifferentieerd.

Historisch hielden we heidelandschappen arm via begrazing, plaggen en het afvoeren van biomassa. Denk aan een orde van grootte van zo’n 20 kg stikstof per hectare per jaar die fysiek werd afgevoerd. Tegelijk viel er via de lucht 5–10 kg per hectare terug. Per saldo raakte het systeem stikstof kwijt. In de huidige praktijk is die continue afvoer grotendeels verdwenen, terwijl de atmosferische aanvoer rond de 10–15 kg/ha/jaar ligt. Het saldo is dus omgedraaid: waar vroeger een kleine netto-afvoer bestond, is nu sprake van een netto-toename. Dat verklaart een deel van de vergrassing en verruiging, los van welke rekennorm je kiest. Het is óók precies waarom beheer – maaien, afvoeren, gefaseerde begrazing – opnieuw de kern van natuurherstel zou moeten zijn.

Er zijn plekken waar de combinatie van veel bronnen dicht op kwetsbare habitats tot onwenselijke druk leidt – denk aan delen van de Peel en de Gelderse Vallei. Maar de aanname dat een melkveebedrijf in Noord-Holland of Noord-Friesland de Veluwe meetbaar “verstikt”, is niet in lijn met wat verspreiding en verdunning in de atmosfeer doen. Klassieke verspreidingsleer (de Gaussiaanse pluim) is hier verhelderend: dicht bij een bron kan de invloed groot zijn, maar concentraties dalen snel met afstand door turbulente menging en verdunning. Dat is geen vrijbrief voor nietsdoen, wel een aansporing om maatregelen geografisch slim te richten.

Het echte probleem anno nu is niet natuurzorg zélf, maar de manier waarop we die zorg juridisch-technisch hebben georganiseerd. We gebruiken een model als beslisautomaat voor individuele vergunningen, terwijl de makers zelf aangeven dat het daarvoor niet bedoeld is. Rechters toetsen op rekenuitkomsten omdat de wetgever daar de lat legde. Bestuurders verschuilen zich vervolgens achter “de computer zegt nee”. Zo raakt democratische afweging – wát willen we waar, binnen welke marges, met welke beheerplicht – ondergesneeuwd.

Intussen blijven we tijd verliezen aan symbooldossiers. Het aandeel van de bouw in stikstofemissies is op jaarbasis verwaarloosbaar, maar als je elk project apart langs hetzelfde restrictieve raster legt, loopt de hele sector vast. De uitkomst is disproportioneel, het maatschappelijk verlies echt.

Eén: breng bestuur en inhoud weer bij elkaar. Laat kabinet en Kamer doelen stellen op natuurkwaliteit, niet op één modelgrootheid. Maak van depositie een hulpmeter, niet de rechter.
Twee: organiseer natuurherstel via beheer. Dat betekent structurele financiering van maaien, afvoeren, gerichte begrazing, hydrologisch herstel en bodembeheer. Dat is geen “quick fix”, maar wel wat aantoonbaar werkt.
Drie: differentieer beleid geografisch. Erken hotspots en pak die stevig aan; ontlast tegelijk gebieden waar de invloed van lokale bronnen op kwetsbare habitats aantoonbaar gering is.
Vier: werk met bufferzones. Rondom stikstofgevoelige habitats (Natura 2000-deelgebieden) is een zone van ruwweg 250–500 meter verstandig voor drie doelen tegelijk: betere waterkwaliteit, lagere lokale depositie en minder drift/druk van gewasbeschermingsmiddelen. In die zones hoort extensivering en landschappelijke verlanding; buiten die zones is er veel meer mogelijk, mits je de totale kwaliteitsdoelen borgt.
Vijf: moderniseer stal- en mestpraktijken waar dat telt. Scheiding van urine en feces, management van pH en TAN, voeding met lager ruw eiwit, koeling en snelle mestafvoer verlagen ammoniakemissies effectief – vooral relevant in de nabijheid van kwetsbare habitats.

Nederland heeft behoefte aan bestuurders die sturen, afwegen en verantwoorden – niet aan spreadsheets die dicteren. Europa vraagt ons de natuurkwaliteit op peil te houden; dat kan en moet. Maar de route daarheen is beheer-gedreven, gebiedsgericht en gebaseerd op fysische realiteit in plaats van juridische fictie. Met bufferzones, gericht emissie-beleid op hotspots en serieuze financiering van beheer halen we de angel uit de stikstofcrisis. Het is tijd om de “computer zegt nee”-reflex te vervangen door bestuurlijke moed en praktische ratio.

Wie terugkeert naar first principles ziet geen onoplosbare paradox, maar een reeks oplosbare puzzels. Herstel de rolverdeling: wetenschap voor feiten, modellen voor inzicht, bestuur voor keuzes. Dan kan Nederland weer bouwen, boeren en beschermen – in die volgorde, en soms tegelijk.

Plaats een reactie