Friso de Zeeuw schreef in Binnenlands Bestuur een “stikstof-spiekbrief voor Rob Jetten & Co”. In de kern roept hij op tot een offensief rond kwetsbare natuur, een langetermijn-gebiedsaanpak, het opruimen van “microdeposities” die projecten blokkeren, en het repareren van “gemankeerde” onderdelen van het beleid (KDW/AERIUS, wetgeving, doelen).
Ik snap de reflex. Iedereen ziet dat Nederland vastloopt. Alleen: precies op het moment dat je een spiekbrief schrijft, moet elk foutje eruit. Want in dit dossier is een klein foutje geen slordigheid, maar een beleidsrichting die miljarden kan kosten en tegelijk de vergunningverlening nog steeds niet vlot trekt.
1) Uitkoop: niet het wondermiddel dat het lijkt
De Zeeuw zet stevig in op snelle stikstofreductie rond de “meest geteisterde” gebieden en noemt daarbij de bekende instrumentenmix waar uitkoop een prominente rol in speelt. Het probleem is niet dat uitkoop nooit werkt. Het probleem is dat uitkoop beleidsmatig te vaak wordt verkocht als dé sleutel, terwijl het vooral een dure, irreversibele ingreep is die je maar één keer kunt doen — en waarbij je bovendien het risico loopt dat je de verkeerde plekken koopt (of dat de maatschappelijke schade groter is dan de ecologische winst).
De Algemene Rekenkamer laat zien dat binnen het uitkoopinstrumentarium Lbv-plus (piekbelasters) per euro beduidend meer depositiereductie kan opleveren dan de algemene Lbv, vooral door afstand tot Natura 2000: dicht bij natuur is het effect groter. Dat is een nuttige nuance, maar het maakt het nog steeds geen structurele oplossing voor het systeemprobleem. Je koopt namelijk capaciteit weg, geen juridisch betrouwbaar vergunningenkader terug. En je koopt productie en gezinsbedrijven weg uit een sector die óók voedselzekerheid en plattelandseconomie draagt.
Wie “van het slot” wil, kan zich niet permitteren om jaren te wedden op vrijwillige beëindigingstrajecten met complexe uitvoering, bezwaarprocedures en herbestemmingsvragen. Je hebt parallel daaraan een robuuster vergunningenstelsel nodig.
2) Natuurkwaliteit is méér dan stikstof (en stikstof is méér dan “een deken”)
De Zeeuw schrijft alsof de kern van het natuurprobleem vooral “stikstof” is. Maar natuurkwaliteit is een stapeling van factoren: hydrologie/waterkwaliteit, beheer, versnippering, verdroging, ziekten, invasieve soorten, recreatiedruk, historische bodemchemie — en ja, ook stikstof. Als je stikstof tot dé maatstaf maakt, ga je vanzelf sturen op één knop, ook als die knop lokaal niet de grootste winst geeft.
Tegelijk moet je precies zijn over stikstof zélf. Het klopt dat grofweg twee derde van de stikstofdepositie in Nederland in de NHy-hoek zit (ammoniak/ammonium) en een derde in NOx/NOy. Dat zegt echter nog niet dat er één gelijkmatige “ammoniakdeken” boven Nederland hangt die je met generieke maatregelen overal even effectief omlaag krijgt. Ammoniak is juist sterk bron- en omgevinggebonden: dichtbij bronnen zie je hoge concentraties en hoge droge depositie, en op grotere afstand speelt chemische omzetting/transport een andere rol. Dat “nabijheids-effect” is zó bekend dat meetstudies expliciet waarschuwen voor bias door emissiebronnen binnen enkele kilometers.
Daar komt nog een beleidsmatig onhandige waarheid bij: een flink deel van ammoniakemissies slaat weer neer op landbouwgrond. Boeren “bemesten elkaar” via de lucht: emissie van A, depositie op B (en andersom). Dat is precies waarom generieke krimp zo’n bot instrument is: je haalt maatschappelijke capaciteit weg, terwijl je een deel van het probleem feitelijk binnen het agrarische systeem rondpompt.
3) Het echte probleem: vergunningverlening op schijnzekerheid
De Zeeuw wil af van “kafkaëske microdeposities” die woningbouw blokkeren. Daar ben ik het mee eens als diagnose, maar niet als uitwerking. Het probleem is niet dat “microdeposities” bestaan. Het probleem is dat we doen alsof we ze juridisch exact kunnen toerekenen op projectniveau, terwijl de onzekerheden op kleine schaal groot zijn en het systeem daardoor schijnzekerheid produceert.
Dit is niet alleen een “boerenpunt”; het is jarenlang benoemd door de commissie-Hordijk: AERIUS/het reken- en meetsysteem geeft schijnprecisie en is in die vorm niet geschikt als juridische beslismachine op detailniveau. Zolang je dat fundament niet repareert, blijf je rondpompen: je koopt emissies uit, je schuift met KDW’s, je knutselt aan drempels — en alsnog strandt het bij de Raad van State zodra iemand de aannames aanvalt.
En dan nog een klein maar veelzeggend foutje: De Zeeuw schrijft “van immissie-regulering naar emissie”. In deze context bedoelen veel auteurs eigenlijk: van depositiegestuurd beleid (wat komt er neer op die hectare natuur) naar emissiesturing (wat stoot je uit, hoe monitor je dat, hoe stuur je daarop). Dat lijkt semantiek, maar het is het hart van de systeemkeuze. “Immissie” (concentratie op een punt) is niet hetzelfde als depositie, en zeker niet hetzelfde als het juridisch gehanteerde rekendepositiespoor.
En dat IPO–LTO-plan dan?
De Zeeuw suggereert dat je een heel eind komt met “selectief winkelen” uit bestaande rapporten en plannen. Maar het IPO–LTO-spoor (en varianten daarop) blijft te vaak hangen in generieke reductiedoelen, bureaucratische gebiedstafels en het idee dat je met een mix van opkoop en techniek “wel uitkomt”. In regio’s waar het serieuze technische plan al klaarligt (zoals de Gelderse Vallei) is het probleem niet het gebrek aan plannen, maar het gebrek aan een vergunningen- en toetsingskader dat zo’n plan ook daadwerkelijk uitvoerbaar maakt.
De spiekbrief die Nederland nu nodig heeft is dus minder een lijstje “maatregelen”, en meer een handleiding voor bestuurlijke reparatie: maak ammoniakbeleid lokaal en realistisch, stop met doen alsof één landelijke deken het hele verhaal is, en bouw een vergunningstelsel dat onzekerheid eerlijk meeneemt in plaats van haar te verstoppen achter drie cijfers achter de komma. Dat is minder sexy dan een opkoop miljard, maar het is wél hoe je Nederland van het slot krijgt.

Plaats een reactie