De val van Meatable laat zien: wie snel rendement zoekt, stapt niet in kweekvlees. En deze sector wordt een ingrediënten business zoals al voorspeld in 2017 en 2023.


Zie lange versie in het Engels
op Protein-Trends

Het faillissement van de Leidse kweekvleesmaker Meatable eind 2025 kwam voor velen als een schok. Niet omdat kweekvlees plotseling technisch onmogelijk bleek, maar omdat opnieuw zichtbaar werd hoe groot de kloof is tussen biologische realiteit en financiële verwachtingen. De les is ongemakkelijk maar helder: kweekvlees is geen technologie voor investeerders die op korte termijn rendement zoeken.

Van belofte naar realisme

Kweekvlees werd de afgelopen tien jaar gepresenteerd als een doorbraak die tegelijk het klimaatprobleem, dierenleed en landgebruik zou oplossen. De eerste publieke kweekburger van professor Mark Post in 2013 werd een wereldwijd symbool. Ook Meatable paste perfect in dat narratief: sterke academische wortels, innovatieve stamceltechnologie en tientallen miljoenen aan durfkapitaal.

In april 2024 bereikte Meatable een zichtbaar hoogtepunt met een proeverij van worstjes met gekweekt varkensvet. Het product was eetbaar, herkenbaar en technologisch indrukwekkend. Maar binnen twee jaar was het bedrijf verdwenen. In totaal werd circa 85 miljoen euro geïnvesteerd, waarvan een aanzienlijk deel publiek of semipubliek geld. De oorzaak ligt niet in één fout, maar in een structurele mismatch tussen technologie en investeringslogica.

Kweekvlees is geen software

Kweekvlees wordt vaak behandeld als een “startup-sector”, maar dat is fundamenteel misleidend. Het is geen digitale technologie die snel kan opschalen, geen platform dat met extra gebruikers goedkoper wordt. Kweekvlees is industriële biotechnologie, gebaseerd op levende cellen. Dat betekent:

  • complexe bioreactoren,
  • steriele omstandigheden,
  • duur groeimedium,
  • en gedrag van cellen dat bij opschaling onvoorspelbaar verandert.

Wie ooit met fermentatie, mestvergisting of bioprocessen heeft gewerkt, herkent dit patroon. Wat in het lab werkt, faalt vaak in het vat. Schaalvergroting is geen lineair proces, maar een reeks nieuwe problemen. Daar botst kweekvlees met durfkapitaal. Venture capital vraagt tempo, zichtbare milestones en een geloofwaardig pad naar opbrengst. Biologie laat zich niet dwingen.

Investeerders bepalen het lot

Bij Meatable werden de investeringsrondes geleid door een beursgenoteerde biotechinvesteerder. Dat betekent verantwoording aan aandeelhouders en druk om “progressie” te laten zien. Die druk vertaalde zich in ambitieuze plannen: snelle toelating in Singapore, daarna de VS, en later Europa.

Maar de realiteit bleek weerbarstig. De Singaporese autoriteiten stelden steeds nieuwe vragen over veiligheid en genetische modificatie. Elke vraag vroeg nieuw onderzoek, tijd en geld. Juist toen de goedkeuring nabij leek, was het kapitaal op. Het probleem zat dus niet primair in regelgeving, maar in het ontbreken van financiële ademruimte.

De hype is voorbij – en dat is gezond

De val van Meatable past in een bredere trend. Wereldwijd piekten investeringen in kweekvlees in 2021. Sindsdien is het volume ingestort. Niet alleen vanwege regelgeving of consumententwijfel, maar omdat investeerders beseffen dat de beloofde tijdlijnen onrealistisch waren.

Veel vroege investeerders bleken “toeristen”: enthousiast, idealistisch, maar ongeduldig. Inmiddels zijn zij vertrokken. Wat overblijft is een kleinere sector met meer realisme.

Waarom sommige bedrijven wel blijven staan

Dat kweekvlees niet verdwijnt, blijkt uit bedrijven die wél overeind blijven, zoals Mosa Meat. Het verschil zit niet alleen in technologie, maar vooral in strategie. Mosa Meat:

  • vermijdt genetische modificatie (belangrijk in Europa),
  • focust sterk op kostenreductie,
  • werkt samen met partijen uit de bestaande voedselketen,
  • en accepteert dat marktintroductie jaren duurt.

Belangrijker nog: de investeerders hebben strategische belangen op lange termijn. Zij zien kweekvlees niet als snelle exit, maar als mogelijke aanvulling in een wereld met schaarser en duurder dierlijk eiwit.

Ingrediënten vóór consumentenproducten

Een tweede belangrijke les is dat volledige kweekvleesproducten waarschijnlijk te ambitieus zijn voor de eerste fase. De sector verschuift daarom richting ingrediënten: gekweekte vetten of cellulaire componenten die plantaardige producten beter laten smaken.

Dat is minder sexy, maar economisch logischer. Kleinere volumes, lagere kosten en een eenvoudiger toelatingsroute. Vanuit systeemperspectief is dit vergelijkbaar met emissiereductie in de landbouw: grote sprongen ontstaan vaak via pragmatische tussenstappen, niet via radicale breuken.

Wat betekent dit voor beleid?

Voor beleidsmakers is de Meatable-casus leerzaam. Technologische belofte is geen garantie voor opschaling. Publieke investeringen in kweekvlees zijn verdedigbaar, maar alleen als duidelijk is dat het om langjarige trajecten gaat, vergelijkbaar met waterbeheer, energietransitie of stikstofreductie.

Wie verwacht dat kweekvlees op korte termijn de veehouderij vervangt, creëert teleurstelling. Wie het ziet als één van meerdere sporen in een bredere eiwitstrategie, kan rationeler keuzes maken.

Hoe dan verder?

De val van Meatable betekent niet dat kweekvlees mislukt is. Het betekent dat de sector volwassen wordt. De tijd van grote beloften en snelle exits is voorbij. Wat resteert is een technologisch complex, traag maar potentieel relevant ontwikkelpad.

Voor investeerders die snel rendement zoeken, is de boodschap duidelijk: blijf weg. Voor wie bereid is om in decennia te denken in plaats van jaren, blijft kweekvlees een optie — mits de verwachtingen worden aangepast aan de werkelijkheid van biologie.

En juist die les is ook buiten de kweekvleeswereld relevant. In complexe dossiers, of het nu stikstof, waterkwaliteit of voedselproductie betreft, geldt steeds opnieuw: systemen laten zich niet versnellen door wensdenken..

Plaats een reactie