Als het debat over stikstof niet al tijden niet meer over stikstof gaat

Als het debat over stikstof niet meer over stikstof gaat

Wie de afgelopen weken het stikstofdebat volgde via de media, kon moeilijk ontkomen aan een gevoel van vervreemding. Niet omdat het onderwerp zo ingewikkeld is – dat ís het al jaren – maar omdat het gesprek zich steeds verder verwijdert van waar het over zou moeten gaan: de inhoud. Het recente NRC-artikel over staatssecretaris Rummenie en een “rammelend stikstofrapport” is daarvan een illustratief voorbeeld. De krant beschrijft vooral processen, verhoudingen en personen, maar laat de kern grotendeels liggen: wat weten we eigenlijk over de betrouwbaarheid van de modellen waarop dit beleid rust?

Dat is geen klein detail. Het is de kern van het hele dossier.

Framing verdringt inhoud

Het patroon is inmiddels herkenbaar. Rapporten worden beoordeeld op hun politieke ontstaansgeschiedenis, op wie ze heeft aangevraagd, wie eraan meewerkte en welk proces is gevolgd. Kritiek richt zich zelden op de technische of wetenschappelijke onderbouwing, maar des te vaker op vermeende intenties. Daarmee verandert het debat ongemerkt van een inhoudelijke discussie in een moreel of journalistiek schouwspel.

Voor wie gelooft dat wetenschap begint bij toetsbare uitspraken over de werkelijkheid, is dat een zorgelijke ontwikkeling. Want de vraag of een rapport “rammelt” kan alleen zinnig worden beantwoord door te kijken waar het model wel en niet klopt, niet door te analyseren wie het rapport politiek heeft doorgeduwd.

De olifant in de kamer: modelnauwkeurigheid

De fundamentele vraag die onder vrijwel alle stikstofdiscussies ligt, is deze:
Hoe goed kan het gebruikte rekenmodel – OPS, zoals toegepast in AERIUS – de werkelijkheid benaderen?

Die vraag is niet nieuw. De commissie-Hordijk concludeerde in 2020 al dat AERIUS ongeschikt is voor vergunningverlening op projectniveau, omdat de onzekerheden groter zijn dan de berekende effecten. Die conclusie is sindsdien niet weerlegd, maar vooral politiek omzeild.

Recent heeft hoogleraar statistiek Ronald Meester dit probleem opnieuw scherp geanalyseerd. In zijn rapport De illusie van een betrouwbare stikstof-modelwerkelijkheid besteedt hij een volledig hoofdstuk aan de onzekerheden in OPS/AERIUS, met bijzondere aandacht voor het ontbreken van empirische toetsing op lokaal niveau (hoofdstuk 4, p. 34–44). Zijn conclusie is helder: het model wordt gebruikt buiten zijn toepassingsbereik.

Dat is geen ideologische uitspraak, maar een statistische. Kan dit onderzoek beter? Jazeker.

Onzekerheid is geen bijzaak, maar hoofdzaak

Modellen als OPS zijn ontworpen om gemiddelde patronen te beschrijven op regionale of nationale schaal. Ze zijn waardevol voor trendanalyses en scenario’s, maar verliezen hun betekenis wanneer ze worden ingezet om verschillen van enkele tienden mol per hectare per jaar juridisch te duiden op het niveau van individuele bedrijven.

Het probleem zit niet alleen in emissies, maar juist in wat daarna gebeurt: verspreiding, omzetting, natte en droge depositie. RIVM zelf rapporteert onzekerheden van circa 124% voor droge depositie en rond 70% voor totale depositie. Dat zijn geen marges die zich verdragen met het huidige juridische gebruik van AERIUS. Het COTAG-rapport bevestigt dit beeld en wijst expliciet op structurele beperkingen in model-validatie.

Toch worden deze onzekerheden zelden expliciet meegenomen in vergunningverlening of gebiedsprocessen. Ze verdwijnen achter puntwaarden, kaarten en hexagonen die een schijnzekerheid suggereren die wetenschappelijk niet te onderbouwen is.

Meten versus rekenen

Wat in het debat vaak ontbreekt, is een simpele maar cruciale vraag:
Hoe vaak zijn modeluitkomsten systematisch vergeleken met waarnemingen?

Voor concentraties ammoniak en NOx bestaan meetnetten. Voor natte depositie bestaan regenwatermetingen. Voor droge depositie zijn er indirecte schattingen en proxy-methoden. Maar een robuuste, transparante vergelijking tussen gemeten waarden en OPS-voorspellingen op lokale schaal is er nauwelijks.

Dat is opmerkelijk. In vrijwel elk ander technisch domein – van luchtvaart tot waterveiligheid – geldt validatie als een harde randvoorwaarde voor modelgebruik. In het stikstofdossier lijkt die stap te worden overgeslagen, of impliciet verondersteld.

Ik schreef daar enkele jaren geleden al over op Foodlog, onder de titel Stikstof wordt gemeten met een heel gebrekkige thermometer. Die constatering is sindsdien niet achterhaald, maar eerder urgenter geworden. Ik zou hier graag dieper in willen duiken, maar er is een pijnlijk aspect.

Waarom dit onderzoek niet van de grond komt

Een pijnlijk aspect is dat dit type onderzoek nauwelijks financierbaar is. Het is niet spectaculair, levert geen directe beleidsoplossing op en past slecht in bestaande subsidieprogramma’s. Het vraagt tijd, data-toegang, methodologische zorgvuldigheid en vooral: de bereidheid om ook onaangename conclusies te accepteren.

Toch is dit precies het onderzoek dat nodig is. Niet nóg een beleidsstudie, niet nóg een juridische interpretatie, maar een systematische analyse van modelprestatie:
– Hoe goed voorspelt OPS concentraties op verschillende afstanden?
– Hoe verhouden berekende deposities zich tot gemeten natte depositie?
– Waar zitten structurele bias, waar toevallige fouten?
– Wat betekent dit voor het gebruik van het model in vergunningen en gebiedsprocessen?

Zonder die kennis blijft het debat steken in aannames.

Terug naar de kern

Het stikstofdossier is vastgelopen, niet omdat Nederland geen natuurbeleid wil, maar omdat middel en doel door elkaar zijn geraakt. Modellen zijn middelen, geen waarheid. Ze horen getoetst te worden, niet verdedigd.

De voortdurende focus op framing, personen en processen leidt af van de inhoudelijke vragen die werkelijk beantwoord moeten worden. Het is begrijpelijk dat media verhalen zoeken. Maar het zou verfrissend zijn als een krant als NRC – of een ander medium – zich opnieuw zou buigen over de technische kernvraag: wat kunnen AERIUS en OPS wel, en wat niet?

Daarbij hoeft niemand het laatste woord te hebben. Wetenschap gedijt bij tegenspraak, niet bij loyaliteit aan een model. Wie het stikstofbeleid serieus neemt, kan niet om die discussie heen.

Ik lever daar graag een bijdrage aan. Met data, met metingen, en met een rapport dat niet over personen gaat, maar over prestaties. Want uiteindelijk is dat waar het om zou moeten draaien: hoe zit het nu echt met de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en het nut van AERIUS/OPS?

Zolang die vraag niet centraal staat, blijven we praten – maar niet begrijpen.

Plaats een reactie