Een artikel om ons allemaal aan het denken te zetten …
Het Ulvenhoutse Bos is geen doorsnee bos. Het is een oud loofbos, gevoed door kalkrijk kwelwater, met een zeldzame combinatie van bodemchemie, hydrologie en flora. Juist daardoor groeien er soorten die elders in Nederland zijn verdwenen. En juist daardoor is het bos gevoelig voor kleine, maar aanhoudende verstoringen. Niet alleen door stikstof uit de lucht of door snelwegen in de buurt, maar ook door iets veel alledaagser: honden die dagelijks langs dezelfde paden lopen.
Dat klinkt misschien triviaal. Een hond is geen koe. Geen stal, geen schoorsteen, geen uitstootpluim. Maar wie even uitzoomt van “per hectare bos” naar “per meter pad”, ziet iets wat ongemakkelijk schuurt met ons gevoel voor proporties.
Een gemiddelde hond scheidt per jaar zo’n vier tot zes kilo stikstof uit, grotendeels via urine. Het grootste deel daarvan komt terecht in de bebouwde omgeving. Maar een deel komt in het bos terecht, vooral daar waar honden structureel worden uitgelaten. Niet verspreid over honderden hectares, maar geconcentreerd langs paden, bochten, ingangen en plekken waar honden even stilstaan.
Neem een eenvoudig, realistisch scenario. Geen uitzonderlijke drukte, geen festivalweekend. Gewoon een populair wandelpad in een bosrand bij Breda. Stel dat er dagelijks tien honden over hetzelfde pad lopen. Dat is niet extreem; wie er ’s ochtends of na werktijd loopt, ziet ze regelmatig. Niet elke hond plast in het bos, maar gemiddeld genomen kun je voorzichtig aannemen dat per hond per wandeling ongeveer drie gram stikstof daadwerkelijk in de vegetatie naast het pad terechtkomt. Dat is conservatief, maar verdedigbaar.

Tien honden per dag betekent dertig gram stikstof per dag. Op jaarbasis is dat ruim elf kilo stikstof. De cruciale vraag is nu niet hoeveel dat is, maar wáár het terechtkomt.
In de praktijk komt het grootste deel terecht in een smalle strook naast het pad. Niet diep het bos in, maar precies daar waar wortels, kruiden en jonge opslag zitten. Neem een pad van één kilometer, met een beïnvloede strook van één meter breed. Dat is duizend vierkante meter, oftewel een tiende hectare. Die elf kilo stikstof wordt dus niet uitgesmeerd over het hele bos, maar geconcentreerd op 0,1 hectare.
Omgerekend betekent dat een lokale belasting van ongeveer 110 kilo stikstof per hectare per jaar. In termen die in het stikstofdebat gangbaar zijn: dat is grofweg achtduizend mol stikstof per hectare per jaar. Ter vergelijking: de achtergronddepositie waar we nationaal beleid op maken, ligt ergens tussen de duizend en tweeduizend mol per hectare per jaar.
Met andere woorden: langs zo’n pad kan de stikstofbelasting door honden alleen al een veelvoud zijn van waar we elders hele vergunningen voor blokkeren.

En dat zie je. Niet in tabellen, maar met het blote oog. Langs drukke paden verschijnen gras, brandnetel en ruigte. De soorten die juist horen bij een kalkrijk, voedselarm kwelbos trekken zich terug. De overgang is vaak messcherp: een meter van het pad is het groen weelderig en dominant, vijf meter verderop wordt het bos weer zichzelf. Dit is geen atmosferische depositie, geen modeluitkomst, maar directe bemesting.
Daarmee komt een ongemakkelijke waarheid naar boven. We praten in het stikstofdossier bijna uitsluitend over gemiddelden per hectare, over jaartotalen, over bronnen op kilometers afstand. Maar ecologie speelt zich vaak af op meters en centimeters. Een zeldzame orchidee reageert niet op “Nederland gemiddeld”, maar op wat er in haar wortelzone gebeurt.
In een bos als het Ulvenhoutse Bos, waar kwelwater zorgt voor een bijzondere balans tussen basen en voedingsstoffen, kan zo’n lokale overbelasting extra hard aankomen. Het systeem is niet ontworpen om structureel tientallen kilo’s stikstof per hectare per jaar te verwerken, ook al is het maar langs een rand. Het gevolg is geen spectaculaire instorting van het bos, maar een stille verschuiving. Eerst langs het pad. Dan langs de zijpaden. Uiteindelijk in steeds grotere stukken.
Dit betekent niet dat honden “het probleem” zijn, laat staan dat ze verantwoordelijk zijn voor de stikstofcrisis. Op de schaal van het hele bos, laat staan van Nederland, is hun bijdrage verwaarloosbaar. Maar het betekent wel dat op kleine schaal iets kan gebeuren wat in de cijfers van beleid en modellen volledig verdwijnt.
Het is ook precies waarom beheermaatregelen vaak zo aards en weinig heroïsch zijn. Honden aanlijnen in kwetsbare delen. Ze op het pad houden. Poep opruimen, al is urine de grotere stikstofbron. Losloopgebieden aan de rand, niet in de kern. Het zijn geen ideologische keuzes, maar ruimtelijke ingrepen die erkennen dat ecologie lokaal is.
De kleine schok zit misschien hier: we zijn geneigd te denken dat alleen “grote bronnen” ertoe doen. Dat een snelweg telt en een hond niet. Maar voor een plant langs een pad in een oud kwelbos is die hond vandaag relevanter dan een abstracte depositiekaart. Niet omdat hij zoveel is, maar omdat hij precies daar komt, elke dag opnieuw.
Misschien is dat wel een bredere les voor het stikstofdebat. Niet alles wat meetbaar is, is relevant op de juiste schaal. En niet alles wat relevant is, past netjes in hectares, jaargemiddelden en modellen. Soms is het gewoon een plas op de verkeerde plek — elke dag weer.

Plaats een reactie