Behoefte aan meer diepgang? Deel 1 : Een Geschiedenis van Genegeerde Waarschuwingen. Deel 2 : Over het Misantropische uitgangspunt, Deel 3 : De Kaderrichtlijn Water en de Mens als Indringer.
Wie vandaag boer is, of gewoon buiten woont, voelt het dagelijks: regels stapelen zich op. Stikstof, waterkwaliteit, natuurdoelen – alles grijpt in elkaar. Veel mensen denken: “Het zal wel aan Brussel liggen.” Maar wie de geschiedenis bekijkt, ziet iets anders. De problemen zijn grotendeels in Nederland zelf ontstaan, door keuzes die we hier hebben gemaakt.
Het idee van ‘oorspronkelijke natuur’
Zowel bij stikstof als bij waterkwaliteit ligt hetzelfde uitgangspunt onder de regels: de natuur moet terug naar een soort oorspronkelijke, ongestoorde toestand. In beleidstaal heet dat een referentieconditie. Dat is het beeld van hoe water, bodem of natuur eruitzag vóór grootschalige menselijke invloed.
Het klinkt logisch: minder vervuiling is beter. Maar hier zit een fundamenteel probleem. Nederland is al duizend jaar een cultuurlandschap. Dijken, polders, sloten, bemaling, bemesting – alles is door mensen gemaakt of beïnvloed. Een rivier zonder ingrepen bestaat hier niet meer. Net zo min als ‘oorspronkelijke’ heide of waterlopen zonder onderhoud.
Toch is dit idee leidend geworden in Europese richtlijnen, zoals bij waterkwaliteit en natuurbeleid. De mens wordt daarin impliciet gezien als verstorende factor, niet als onderdeel van het systeem.
Waterkwaliteit: goed bedoeld, maar verkeerd vertaald
De Kaderrichtlijn Water (KRW) is daar een goed voorbeeld van. Het doel is helder: schoon en gezond water. Daar kan vrijwel iedereen zich in vinden. Maar in de Nederlandse uitvoering is gekozen voor een zeer strikte interpretatie.
Water moet “zeer goed” zijn, of minstens “goed”, gemeten ten opzichte van een toestand waarin nauwelijks menselijke invloed is. Dat betekent dat sloten, beken en rivieren worden beoordeeld alsof ze natuurgebieden zijn – terwijl ze in werkelijkheid vaak onderdeel zijn van landbouw en waterbeheer.
Voor boeren voelt dat onlogisch. Een sloot langs een perceel is geen bergbeek. Hij is gegraven, wordt onderhouden, heeft een functie voor afwatering en wateraanvoer. Toch wordt hij soms beoordeeld alsof hij vanzelf zou moeten functioneren.
Het gevolg: normen die moeilijk haalbaar zijn, steeds meer maatregelen, en weinig ruimte voor gezond verstand.
Stikstof: waarschuwingen die zijn genegeerd
Bij stikstof zien we hetzelfde patroon, maar met een langere voorgeschiedenis. Al rond 2010 waarschuwden deskundigen dat Nederland met zijn vergunningensysteem een groot risico nam. Twee onafhankelijke commissies – met verschillende samenstellingen – zeiden in essentie hetzelfde:
Je kunt natuurherstel niet volledig afdwingen via vergunningverlening.
Toch gebeurde precies dat. In plaats van eerst stevig te investeren in natuurbeheer, herstel en realistische doelen, werd het probleem doorgeschoven naar individuele bedrijven. Boeren, bouwers en ondernemers moesten via vergunningen bewijzen dat hun bijdrage “niet significant” was – vaak tot achter de komma.
Toen de rechter in 2019 ingreep, was de schrik groot. Maar inhoudelijk was het geen verrassing. Het systeem was al jaren wankel.
Het gemeenschappelijke probleem
Wat water en stikstof verbindt, is niet alleen regelgeving, maar een manier van denken. Een ecologische visie waarin natuur het best functioneert zonder mensen. Die visie komt voort uit een oud ecologisch paradigma waarin ecosystemen naar een vast eindpunt zouden bewegen, als je ze maar met rust laat.
De praktijk is anders. Natuur is dynamisch. En in Nederland is ze altijd verweven geweest met menselijk beheer. Heide bestaat dankzij begrazing. Weidevogels profiteren van open graslanden. Waterkwaliteit hangt samen met peilbeheer, onderhoud en gebruik.
Door dat te negeren, ontstaat beleid dat botst met de werkelijkheid.
Wat betekent dit voor boeren?
Voor boeren voelt het vaak alsof ze steeds de schuld krijgen. Terwijl ze tegelijkertijd voedsel produceren, landschap onderhouden en meebewegen met nieuwe eisen. Het probleem zit niet in onwil, maar in onduidelijke en soms onhaalbare doelen.
Bij waterkwaliteit kan een boer alles netjes doen, en toch een overschrijding zien omdat de norm niet past bij het type water. Bij stikstof kan emissie worden verminderd, terwijl de vergunning toch vastloopt omdat modellen geen zekerheid geven.
Dat is frustrerend, en terecht.
Minder rekenen, meer beheren
De rode draad in alle drie de artikelen is deze:
We hebben beheer en vergunningen door elkaar gehaald.
Vergunningen zijn bedoeld om nieuwe schade te voorkomen. Beheer is nodig om bestaande natuur en waterkwaliteit te verbeteren. Als je alles via vergunningen probeert op te lossen, loop je vast. Zeker in een land dat al vol is.
Wat ontbreekt, is een realistische lange termijnvisie:
– Wat voor natuur willen we, gegeven dat Nederland een cultuurlandschap is?
– Welke waterkwaliteit past bij landbouw, natuur én veiligheid?
– En hoe verdelen we verantwoordelijkheid eerlijk, zonder alles bij individuele bedrijven neer te leggen?
Terug naar gezond verstand
Dit is geen pleidooi om regels los te laten of problemen te ontkennen. Het is een oproep om beleid beter te laten aansluiten op de werkelijkheid. Minder ideologie, meer praktijkkennis. Minder schijnzekerheid, meer robuuste keuzes.
Boeren zijn geen indringers in het landschap. Ze zijn er onderdeel van. Water is geen museumstuk, maar een systeem dat beheerd moet worden. En natuurherstel vraagt tijd, ruimte en vakmanschap – geen rekenkundige dwang.
Zolang we blijven doen alsof Nederland terug kan naar een toestand van vóór de mens, blijven we vastlopen. Pas als we accepteren dat mens, landbouw, water en natuur onlosmakelijk verbonden zijn, ontstaat er weer perspectief.

Plaats een reactie