Meer geïnteresseerd in een algemene achtergrond van de KDW? Lees dan: “De Kritische Depositiewaarde (KDW) – Ontstaan, Concept en Praktijk van een Effectgerichte Milieunorm“
Inleiding
De Kritische Depositiewaarde (KDW) voor stikstof is een centraal, doch complex en vaak onbegrepen instrument in het Nederlandse natuur- en milieubeleid. Het vormt de wetenschappelijke spil van de stikstofaanpak, met verstrekkende juridische en economische consequenties. In de publieke en politieke discussie wordt de KDW vaak voorgesteld als een harde, absolute grenswaarde, een scherpe lijn tussen ‘veilig’ en ‘schadelijk’. De wetenschappelijke realiteit is echter genuanceerder. De KDW is fundamenteel een risicoconcept, een drempel waarboven het risico op negatieve effecten op een habitat niet uitgesloten kan worden. Aan de vaststelling van deze waarde kleeft een aanzienlijke en onvermijdelijke wetenschappelijke onzekerheid.
Dit artikel heeft tot doel een diepgaande analyse te bieden van de KDW, met een exclusieve focus op de methodiek van de bepaling en de kwantificering van de inherente onzekerheden. In tegenstelling tot bredere analyses wordt hier bewust afgezien van het bespreken van depositieberekeningsmodellen zoals AERIUS. De centrale vraag is niet hoeveel stikstof er neerslaat, maar wat de wetenschappelijke betrouwbaarheid en bandbreedte is van de drempelwaarde (de KDW) zelf. We zullen de empirische ranges, de rol van modelberekeningen en de uiteindelijke vaststelling van de KDW per habitattype ontleden, gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten van onder andere Wamelink et al. (2023) en Bobbink et al. (2022) .

H1: De Anatomie van de KDW: Drie Pijlers van Kennis
De officiële, in Nederland gehanteerde KDW voor een specifiek habitattype is geen enkelvoudig meetgegeven, maar het resultaat van een zorgvuldige, vastgelegde methodiek die drie verschillende kennisbronnen integreert. Deze methode, consequent toegepast in de herzieningen van 2008, 2012 en 2023, is ontworpen om de ‘best beschikbare wetenschappelijke kennis’ te consolideren De drie pijlers zijn:
- Empirische Kritische Depositiewaarden: Dit is het fundament. Deze waarden zijn gebaseerd op een veelheid aan Europese veldexperimenten en observatiestudies waarin de effecten van verschillende niveaus van stikstofdepositie op ecosystemen zijn bestudeerd. De resultaten worden gesynthetiseerd onder auspiciën van de UNECE. Cruciaal is dat deze CLempN worden gepresenteerd als ranges (bijv. 5-15 kg N/ha/j). Deze range is de meest directe uitdrukking van wetenschappelijke onzekerheid; het weerspiegelt de variatie in respons tussen vergelijkbare ecosystemen door verschillen in klimaat, bodem, beheer en de specifieke ecologische indicatoren die worden gebruikt. De betrouwbaarheid van deze ranges wordt aangegeven met codes: ‘##’ voor betrouwbaar, ‘#’ voor redelijk betrouwbaar, en ‘(#)’ voor expert judgement .
- Grootschalige Modelberekeningen (SMART2): De tweede pijler wordt gevormd door uitkomsten van het proces-georiënteerde bodemmodel SMART2. Dit model simuleert de effecten van stikstof op bodemchemie en vegetatiesamenstelling en levert, in tegenstelling tot de empirische methode, één enkele, unieke KDW-waarde per vegetatietype. Een belangrijke kanttekening is dat deze modelberekeningen dateren uit een studie van 2004 en sindsdien niet zijn geactualiseerd .
- Deskundigenoordeel (Expert Judgement): Waar empirische data en/of modeluitkomsten ontbreken of evident tegenstrijdig zijn, wordt een beroep gedaan op het oordeel van experts om toch tot een KDW te komen, gebaseerd op kennis van vergelijkbare ecosystemen.
De uiteindelijke, unieke KDW die in de Nederlandse regelgeving wordt gebruikt, wordt bepaald door deze drie bronnen te combineren volgens een vaste beslisboom. De kern van de methode is dat de empirische range als leidend wordt beschouwd. De modeluitkomst wordt vervolgens gebruikt om binnen die range een specifieke waarde te ‘prikken’. Als de modelwaarde binnen de empirische range valt, wordt de modelwaarde de KDW. Ligt de modelwaarde echter buiten de range, dan wordt de KDW gelijkgesteld aan de dichtstbijzijnde grens (onder- of bovengrens) van de empirische range. Dit proces ‘klikt’ de KDW als het ware vast aan de randen van de empirisch vastgestelde onzekerheidsmarge.
H2: Kwantificering van de Onzekerheid per Habitat
De onzekerheid in de KDW is geen abstract begrip; het kan direct worden gevisualiseerd en gekwantificeerd door de empirische ranges te analyseren in relatie tot de vastgestelde KDW.
Figuur 1 toont deze relatie voor een selectie van belangrijke Nederlandse habitattypen. De groene balken representeren de volledige empirische onzekerheidsrange. De blauwe ruit is de uiteindelijk gekozen, juridisch gehanteerde KDW, en de rode driehoek is de (verouderde) modelwaarde. De grafiek illustreert treffend hoe de KDW (blauwe ruit) vaak aan de randen van de empirische range (groene balk) wordt vastgesteld, met name wanneer de modelwaarde (rode driehoek) ver buiten de range valt.

Om de onzekerheid direct te kwantificeren, kunnen we de breedte van de empirische range uitdrukken als een percentage van de gekozen KDW. Dit geeft een helder beeld van de relatieve onzekerheid per habitattype. Figuur 2 presenteert deze analyse.

Uit deze figuur blijkt dat de onzekerheid aanzienlijk is en sterk varieert. Voor zeer gevoelige habitats zoals Veenmosrietlanden (H7140B), Droge heiden (H4030) en Stuifzandheiden (H2310) bedraagt de onzekerheid meer dan 100% van de KDW. Dit betekent dat de empirisch onderbouwde bandbreedte (bijv. 10 kg N breed) groter is dan de vastgestelde KDW zelf (bijv. 7 of 10 kg N). Zelfs voor minder gevoelige bostypen en graslanden ligt de onzekerheid vaak nog tussen de 30% en 60%. Deze kwantificering toont aan dat de KDW geen exact getal is, maar een puntschatting binnen een brede band van wetenschappelijk plausibele waarden.
H3: Systematische Discrepanties en Trends
Bij een nadere analyse van de data vallen twee systematische trends op die het beeld van de KDW verder nuanceren: de structureel dalende trend van de gemiddelde KDW en de groeiende kloof tussen empirische data en modeluitkomsten, met name voor bossen.
Een Voortdurend Dalende Drempel
Met elke wetenschappelijke herziening van de Europese empirische data is de gemiddelde KDW voor Nederlandse habitattypen verder naar beneden bijgesteld. Dit is geen willekeurige fluctuatie, maar een “consistente” trend die voortschrijdend inzicht weerspiegelt dat ecosystemen gevoeliger zijn voor stikstof dan aanvankelijk gedacht. Figuur 3 visualiseert deze trend over de afgelopen 15 jaar.

De gemiddelde KDW is gedaald van 19.4 kg N/ha/j in 2008 naar 17.7 kg N/ha/j in 2023. Een recente wetenschappelijke publicatie van Van Dobben et al. (2025) suggereert zelfs een verdere daling naar 15.9 kg N/ha/j . Deze trend wordt volledig gedreven door aanpassingen in de empirische ranges; de modelwaarden zijn immers constant gebleven.
De Groeiende Kloof: Bossen als Casestudy
De discrepantie tussen de verouderde modelwaarden en de recente empirische data is nergens zo evident als bij bos- en struweelhabitats. Figuur 4 illustreert dit probleem.

Voor habitats als Veldbies-beukenbos (H9110) en Beuken-eikenbos (H9120) ligt de empirische range op 10-15 kg N/ha/j. De SMART2-modelwaarde is echter met circa 28 kg N/ha/j meer dan het dubbele. Volgens de vastgestelde methodiek wordt de KDW dan vastgesteld op de bovengrens van de empirische range: 15 kg N/ha/j. Dit patroon herhaalt zich voor vrijwel alle onderzochte bostypen. Het impliceert dat de KDW voor bossen systematisch wordt bepaald door de bovengrens van de empirische onzekerheidsmarge, omdat de enige andere beschikbare kwantitatieve bron (het model) als sterk verouderd en te hoog wordt beschouwd.
Conclusie
Deze analyse van de Kritische Depositiewaarde (KDW) onthult een beeld dat aanzienlijk genuanceerder is dan de perceptie van een harde, onfeilbare grenswaarde. De KDW is een geconstrueerde puntschatting, gebaseerd op een methodiek die poogt de best beschikbare, maar inherent onzekere, wetenschappelijke kennis te integreren. De kern van de onzekerheid ligt in de empirische data, die zich manifesteert in ranges met een breedte van vaak 5 tot 10 kg N/ha/j. Gekwantificeerd als percentage van de vastgestelde KDW, loopt deze onzekerheid op van circa 30% voor de minst gevoelige typen tot meer dan 100% voor de meest gevoelige heide- en veenlandschappen.
De vaststellingsmethode, waarbij verouderde modelwaarden worden vergeleken met actuele empirische ranges, leidt bovendien tot systematische effecten. Voor veel habitattypen, en in het bijzonder voor bossen, wordt de KDW vastgesteld op de uiterste grens van de empirische onzekerheidsmarge. Tegelijkertijd toont de wetenschappelijke literatuur een gestage, neerwaartse trend in de gemiddelde KDW, wat suggereert dat met “voortschrijdend” inzicht de gevoeligheid van ecosystemen hoger wordt ingeschat.
Deze analyse impliceert niet dat de KDW een onbruikbaar instrument is. Het benadrukt echter dat de KDW moet worden geïnterpreteerd voor wat het is: een op het voorzorgsprincipe gebaseerde risicodrempel met een aanzienlijke, kwantificeerbare wetenschappelijke onzekerheidsmarge. Beleidsmatige en juridische toepassing van de KDW zou deze inherente onzekerheid wel moeten erkennen en meewegen.
Referenties
[4] Van Dobben, H.F., Schouwenberg, E.P.A.G., Mol, J.P., Wiegers, H.J.J., Jansen, M.J.M., Kros, J., & de Vries, W. (2004). Simulation of critical loads for nitrogen for terrestrial plant communities in The Netherlands. Alterra-rapport 953.
[5] Van Dobben, H.F., & van Hinsberg, A. (2008). Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en Natura 2000-gebieden. Alterra-rapport 1654.
[6] Van Dobben, H.F., Bobbink, R., Bal, D., & van Hinsberg, A. (2012). Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Alterra-rapport 2397.
[7] Van Dobben, H.F., Wamelink, G.W.W., van Hinsberg, A., & Bobbink, R. (2025). Revision of nitrogen critical loads for Natura 2000 Habitat types in the Netherlands. Science of The Total Environment, 961, 179203.

Plaats een reactie