Stikstofgevoelige habitats in Nederland: over welke natuur hebben we het eigenlijk? Orde grootte van het aantal hectares.

In het Nederlandse stikstofdebat wordt steevast gesproken over “de natuur”, alsof het gaat om één homogeen geheel dat overal even gevoelig reageert op stikstofdepositie. In juridische uitspraken, beleidsnota’s en mediaberichtgeving is die abstractie hardnekkig: stikstof schaadt de natuur, dus emissies moeten omlaag. Wie echter inzoomt op de ecologische werkelijkheid ziet een veel specifieker beeld. Het huidige stikstofbeleid draait in hoofdzaak om een beperkt aantal habitattypen, geconcentreerd in specifieke Natura 2000-gebieden, met samen een relatief klein oppervlak in verhouding tot het totale Nederlandse landgebruik.

Dat onderscheid is cruciaal. Niet om natuur te relativeren, maar om beleid te begrijpen. Want juist deze beperkte set habitats, met lage kritische depositiewaarden en hoge modelgevoeligheid, bepaalt in de praktijk de ruimte voor vergunningverlening voor woningbouw, infrastructuur en landbouw. Vaak gaat het daarbij om zeer kleine berekende deposities op zeer kleine natuurarealen, met grote juridische consequenties.

Dit artikel brengt die werkelijkheid in kaart. Welke habitats zijn daadwerkelijk het meest stikstofgevoelig? Waar liggen ze? En vooral: over hoeveel hectare hebben we het nu werkelijk?

Kritische depositiewaarden: een beleidsinstrument, geen natuurwet

De gevoeligheid van habitats voor stikstof wordt in het Nederlandse beleid vastgelegd via de Kritische Depositiewaarde (KDW). Die waarde, uitgedrukt in kilogram stikstof per hectare per jaar, markeert het niveau waarboven volgens de wetenschappelijke literatuur de kans toeneemt op ongewenste veranderingen in soortensamenstelling.

Belangrijk is wat een KDW wel en niet is. Het is geen harde natuurkundige grens en geen meetbare drempel waarboven automatisch schade optreedt. Evenmin is het een garantie dat onder de KDW geen ecologische veranderingen plaatsvinden. Het is een risicogrens, gebaseerd op veldonderzoek, expert judgement en internationale vergelijkingen. In ecologische zin is dat een verdedigbare benadering. In juridische zin heeft de KDW in Nederland echter een absolute status gekregen die verder gaat dan de ecologische onderbouwing rechtvaardigt.

Juist daarom is het relevant om te kijken welke habitats de laagste KDW’s hebben, waar die voorkomen en hoe groot ze zijn. Want daar concentreert zich het juridische stikstofprobleem.

Hoogvenen: extreem gevoelig, maar zeer schaars

De laagste kritische depositiewaarden in Nederland horen bij hoogvenen. Actieve en herstellende hoogvenen hebben KDW’s in de orde van 5 tot 10 kg N per hectare per jaar. Dat maakt deze systemen uitzonderlijk gevoelig voor extra stikstof, vooral in combinatie met verzuring en hydrologische verstoring.

Hoogvenen zijn echter geen wijdverbreide ecosystemen. Ze komen slechts voor in enkele Natura 2000-gebieden, waaronder Bargerveen, Fochteloërveen, Engbertsdijksvenen en De Groote Peel. Het totale areaal hoogveen (actief én herstellend) wordt in recente inventarisaties geschat op circa 4.000 tot 8.000 hectare. Actief hoogveen vormt daarvan slechts een klein deel; het merendeel bestaat uit gedegradeerde of herstellende systemen die sterk afhankelijk zijn van waterbeheer.

Ecologisch zijn deze gebieden van grote waarde. Beleidsmatig is echter relevant dat het hier gaat om ruim minder dan een kwart procent van het Nederlandse landoppervlak, terwijl deze habitats door hun lage KDW een disproportioneel grote rol spelen in vergunningprocedures.

Heide: ecologisch kwetsbaar, juridisch dominant

Waar hoogveen ecologisch het kwetsbaarst is, vormt heide het zwaartepunt van het stikstofdossier. Zowel droge heide (H4030) als natte heide (H4010) hebben kritische depositiewaarden rond 10 tot 15 kg N per hectare per jaar. Extra stikstof bevordert de groei van grassen zoals pijpenstrootje, wat leidt tot verlies van karakteristieke heidesoorten.

Heide komt voor in een beperkt maar ruimtelijk herkenbaar cluster van Natura 2000-gebieden, waaronder de Veluwe, Dwingelderveld, Drents-Friese Wold en de Sallandse Heuvelrug.

Het totale areaal heide in Nederland wordt tegenwoordig realistischer geschat op ongeveer 30.000 tot 45.000 hectare. Dat is aanzienlijk minder dan de hogere cijfers die soms circuleren op basis van historische of beleidsmatige optellingen. Bovendien gaat het hier grotendeels om cultuurlandschap: heide is geen natuurlijke climaxvegetatie, maar het resultaat van eeuwen menselijk gebruik. Zonder actief beheer verandert het systeem ook bij lage stikstofdepositie.

Juist deze combinatie — relatief groot oppervlak, lage KDW en juridische hardheid — maakt heide tot de juridische spil van het stikstofbeleid.

Stuifzanden: dynamiek die beheer vereist

Een derde stikstofgevoelig habitattype is dat van de stuifzanden en zandverstuivingen (H2330). Deze systemen zijn van nature extreem voedselarm en dynamisch. Extra stikstof versnelt vegetatieontwikkeling, waardoor open zand verdwijnt en het habitattype zijn karakter verliest.

Het areaal actief stuifzand in Nederland is klein en wordt geschat op circa 3.000 tot 6.000 hectare, geconcentreerd in gebieden als Kootwijkerzand en de Loonse en Drunense Duinen. Zonder actief beheer verdwijnen deze systemen ook bij gelijkblijvende stikstofdepositie. Dat maakt stikstof hier een relevante, maar zeker niet de enige bepalende factor.

Blauwgraslanden en heischrale graslanden: ecologisch topsegment, ruimtelijk marginaal

Blauwgraslanden (H6410) en heischrale graslanden (H6230) behoren tot de meest soortenrijke habitats van Nederland. Hun kritische depositiewaarden liggen doorgaans tussen 10 en 20 kg N per hectare per jaar, afhankelijk van bodem en hydrologie. Ze zijn gevoelig voor stikstof, maar minstens zo gevoelig voor veranderingen in waterhuishouding en beheer.

Juist hier is de discrepantie tussen ecologische waarde en ruimtelijke omvang groot. Het totale areaal blauwgrasland in Nederland bedraagt naar schatting slechts 80 tot 150 hectare. Heischrale graslanden komen iets vaker voor, maar blijven beperkt tot ongeveer 500 tot 1.500 hectare landelijk, verspreid over onder meer het Naardermeer, Weerribben-Wiedenen enkele Zuid-Limburgse gebieden.

Ecologisch zijn dit kroonjuwelen. Beleidsmatig gaat het om fracties van een procent van Nederland.

Hoe groot is het geheel?

Wanneer we de meest stikstofgevoelige habitats bij elkaar optellen, ontstaat een veel concreter beeld dan vaak in het debat wordt geschetst:

HabitatOppervlakte (ha, realistische bandbreedte)
Hoogveen (actief + herstellend)4.000 – 8.000
Heide (alle typen samen)30.000 – 45.000
Stuifzand / open zand3.000 – 6.000
Blauwgrasland80 – 150
Heischraal grasland500 – 1.500
Totaalca. 38.000 – 60.000 ha

Nederland telt circa 4,15 miljoen hectare landoppervlak. Dat betekent dat het juridisch meest stikstofgevoelige deel van de natuur zich concentreert op ongeveer 1 tot 1,5% van Nederland.

Beleidsmatige consequenties

Deze cijfers verklaren waarom het huidige stikstofbeleid zo wringt. Een klein areaal, met lage KDW’s en hoge modelgevoeligheid, bepaalt de ontwikkelruimte voor het hele land. Door de combinatie van strikte juridische toetsing, onzekerheden in modelberekeningen op kleine schaal en het ontbreken van een scherp onderscheid tussen natuurbeheer en vergunningverlening, wordt elk extra molecuul stikstof juridisch relevant.

Dat leidt tot de paradox waarin natuurherstel niet versnelt, terwijl maatschappelijke en economische schade wel toeneemt. Het probleem is niet dat deze habitats bescherming verdienen — dat doen ze zonder twijfel. Het probleem is dat bescherming is verworden tot rekenkundige absolutie, losgezongen van ecologisch beheer, hydrologie en realistische onzekerheidsmarges.

Slotbeschouwing

Wie het stikstofdossier wil begrijpen, moet af van abstracties. Het gaat niet over “de natuur” in algemene zin, maar over specifieke habitats, in specifieke Natura 2000-gebieden, met samen een beperkt oppervlak. Dat inzicht is geen relativering van ecologie, maar een noodzakelijke voorwaarde voor verstandig beleid.

Zonder die precisie blijft Nederland sturen op millimollen, terwijl de belangrijkste ecologische knoppen elders zitten: waterbeheer, bodemchemie, actief beheer en gebiedsgericht maatwerk. Dat is geen pleidooi tegen natuur, maar vóór realisme.

Plaats een reactie