Melkureum als indicator voor ammoniakemissie: beter dan TAN, maar is het geborgd genoeg?

In de stikstofdiscussie rond melkveebedrijven wordt al jaren gezocht naar betrouwbare, praktische meetmethoden voor ammoniakemissie. Een recent adviesrapport van de bureaus Terug naar de basis Advies en K&G Advies, in opdracht van boeren en collectieven in de provincie Utrecht, pleit voor melkureum als betere indicator dan het veelgebruikte TAN (Total Ammoniacal Nitrogen). Het artikel op Veeteelt.nl van 24 maart 2026 vat dit advies helder samen. Maar is melkureum écht geschikt als geborgde methode? Jan Dijkstra, een van de meest gezaghebbende experts op het gebied van stikstof- en voerbenutting bij melkvee, plaatst kanttekeningen. Hij noemt het een nuttig stuurinstrument, maar te variabel voor betrouwbare borging tussen bedrijven.

Waarom melkureum volgens de adviseurs beter scoort dan TAN

De adviseurs Harm Rijneveld (Terug naar de basis Advies) en zijn collega’s baseren zich op internationaal onderzoek dat een sterke relatie laat zien tussen ureum in de melk en stikstofverlies via de urine – de belangrijkste bron van ammoniakemissie. In tegenstelling tot TAN, dat in de KringloopWijzer wordt berekend op basis van veel aannames (ruweiwit in vers gras, VEM-waarden, weide-uren, kuilvoorraad en onvolledige bemonstering), is melkureum een direct meetbare parameter uit de melkcontrole.

Rijneveld legt uit: “Het is niet bruikbaar in de boerenpraktijk omdat de data in de KringloopWijzer onvoldoende geborgd zijn.” TAN houdt bovendien geen rekening met de werkelijke eiwitbenutting (OEB/DVE-verhouding en totale DVE-opname op darmniveau). Daardoor zegt de berekende TAN op jaarniveau weinig over de werkelijke emissies.

De bureaus pleiten daarom voor een streeftabel met een maximaal toelaatbaar ureum per koe per jaar, afgestemd op de melkproductie per koe. Hoe hoger de productie, hoe meer sturing mogelijk is via krachtvoer en bijproducten, en hoe lager het toelaatbare ureum. Bij extensieve bedrijven met veel weidegang mag het ureum juist hoger liggen, omdat de totale excretie lager is en weidegang de emissie beperkt door scheiding van urine en feces.

Melkureum zou daarmee een praktisch, werkbaar instrument worden voor vakmanschap op het bedrijf, in plaats van een complex rekenmodel.

Jan Dijkstra: “Nee, geen geborgde methode”

Jan Dijkstra (@CUJanD) reageerde direct op het Veeteelt-artikel en het onderliggende rapport. Als expert met decennia ervaring in rantsoenbeoordeling en stikstofexcretie bij melkvee is hij duidelijk: melkureum is geen geborgde methode voor ammoniakemissie tussen bedrijven. Het is wél een praktisch stuurinstrument op bedrijfsniveau, maar te variabel voor juridische of collectieve borging.

Zijn belangrijkste kritiekpunten:

  • Te veel variatie: Zonder exacte kennis van de voeropname is de schatting van stikstofexcretie via melkureum + melkproductie onnauwkeurig (RMSPE rond de 30 %, volgens de meest uitgebreide analyse van Bougouin et al., 2022).
  • Fouten in het rapport: Het rapport stelt melkureum gelijk aan MUN (milk urea nitrogen), terwijl melkureum = 2,14 × MUN. Effecten worden daardoor sterk onderschat. Ook worden zout (NaCl) en natrium door elkaar gebruikt, wat interpretatie bemoeilijkt.
  • Invloed van mineralen: Extra zout voeren heeft volgens het rapport een negatief effect op opname en productie, maar literatuur (o.a. NRC 2001 en studies over stereotiep gedrag) toont juist positieve effecten. Bovendien beïnvloeden andere mineralen zoals kaliumbicarbonaat het melkureum zonder effect op totale N-excretie.
  • Rantsoenafhankelijkheid: Een Vlaamse studie toont aan dat dezelfde melkureum-waarden (bijv. 18 vs 25 mg/dl) op verschillende ruwvoertypen (gras- vs maiskuil) tot dezelfde urine- en mest-N-excretie kunnen leiden. Interpretatie is dus sterk ruwvoertype-afhankelijk.

Samenvattend schrijft Dijkstra: “Melkureum geeft (samen met productie) een indicatie van stikstofuitscheiding (hoger = meer verlies), maar is volgens de wetenschap nogal variabel. Bruikbaar voor trends op bedrijfsniveau, niet voor precieze borging.”

Conclusie: managementtool of beleidsinstrument?

Het adviesrapport biedt een praktische weg vooruit voor boeren die willen sturen op ammoniak zonder afhankelijk te zijn van ondoorzichtige KringloopWijzer-berekeningen. Melkureum is eenvoudig te meten, direct gerelateerd aan urine-N en past bij het vakmanschap op het bedrijf.

Tegelijkertijd onderstreept de kritiek van Jan Dijkstra – dé expert op dit vlak – dat melkureum geen vervanging is voor een geborgde, tussen-bedrijven vergelijkbare methode. Het blijft gevoelig voor rantsoen, mineralenbalans en voeropname. Voor interne bedrijfssturing of als KPI is het waardevol; voor juridische borging of collectieve stikstofdoelen is meer onderzoek en fijnmaziger maatwerk nodig.

Boeren die willen verduurzamen doen er in ieder geval verstandig aan om melkureum serieus te monitoren – niet als heilige graal, maar als nuttige vinger aan de pols. Het rapport en de reactie van Dijkstra laten zien dat de discussie nog lang niet is gesloten. Praktijk en wetenschap moeten hier nog verder naar elkaar toe groeien.

Plaats een reactie