Ruwe Beleidshoutskoolschets voor Ammoniakreductie en beheersing in Nederland – Stikstof, Hoe dan wel?

Terug naar de tekentafel en snel dus. Van een technocratische aanpak waarbij de modellen NEMA, GIAB, INITIATOR, DEPAC en OPS een centrale rol hebben, terug naar praktijkbeleid is mijn advies. Ik noem dat al een tiental jaren #doen in de praktijk. Hieronder een meer-puntenplan dat als houtskoolschets gezien kan worden (en dus niet af is). Het is een ruwe aanpak, zonder details. Kortom, een aanzet om het denken opnieuw vorm te gaan geven.

mvg ir. Wouter de Heij

PS dit is versie 2, mijn bullets in versie 1 (Stikstof, hoe dan wel?) staat onderaan de tekst. In april 2023 deelde ik mijn eerste gedachte t.a.v. de vier regio’s in Nederland.

1. Principiële Ontkoppeling van Ammoniak en NOx Beleid

Het is essentieel om ammoniakemissies (voornamelijk afkomstig uit de landbouw) en NOx-emissies (vooral vanuit industrie en verkeer) strikt te scheiden in het beleid. Door deze ontkoppeling wordt voorkomen dat de landbouw onevenredig moet inleveren ten gunste van andere sectoren, zoals industrie of luchthavens. Deze aanpak verlicht de druk op agrarische familiebedrijven en dwingt industriële en transportsectoren om hun eigen, gerichte reductie-inspanningen te leveren.

Dit beleid verwerpt nadrukkelijk het idee om boeren uit te kopen om ruimte te creëren voor emissiereductie in andere sectoren, zoals bijvoorbeeld Schiphol. De landbouwsector moet zich kunnen richten op haar eigen specifieke uitdagingen zonder te worden belast met de emissieproblemen van de industrie of transport. Deze gescheiden aanpak versterkt het bestaansrecht van kleinere familiebedrijven, die vaak kwetsbaar zijn voor externe druk en herstructureringen. Hiermee voorkom je dat ‘groot het altijd wint van klein’ in termen van budget, juridische kosten of macht.

1. Invoering van Afstandsregels rondom Stikstofgevoelige Natura 2000 (N2k) Gebieden – Bufferzones.

Het nieuwe ammoniakbeleid moet prioritair starten met het instellen van een beschermingszone rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Een minimale buffer van 250 tot maximaal 500 meter rondom deze gebieden kan direct bijdragen aan emissiebeperking en het beschermen van kwetsbare natuur. Er zijn vooral bewijzen uit de praktijk dat de concentratie sterk daalt op afstand; en lagere concentratie betekent minder depositie. Hoewel deze maatregel direct resultaat biedt en naar verwachting er een meerderheid kan zijn in de tweede kamer hiervoor, wordt de implementatie uitgesteld. Dit beleid kan een impact hebben op 400 tot 1200 bedrijven – deze getallen moeten worden gecontroleerd- die zich binnen deze zones bevinden en betrokken zijn bij intensieve veehouderij en/of bemesting.

Binnen de bufferzones wordt voorgesteld om te werken met vrijwillige ruilverkaveling of ruime uitkoop van gronden. Alleen in uiterste gevallen kan onteigening als laatste redmiddel worden overwogen. Het doel is om een langdurige, structurele bescherming te creëren; de bufferzones moeten dan ook gedurende een periode van minimaal 25 jaar als grens fungeren zonder dat deze opgenomen worden in de beschermde N2k-gebieden. Dit biedt boeren buiten deze zone de zekerheid dat hun bedrijfsvoering beschermd blijft en voorkomt verdere versnippering. Extensieve landbouw, natuur-inclusieve landbouw, of beheerde stikstofongevoelige natuur kan wel in deze bufferzones plaatsvinden (zie punt 4, NAB).

2. Sectoroverkoepelend Convenant voor Emissiereductie Ammoniak

Er is een sectoroverkoepelend convenant nodig, waarbij melkveehouderij, pluimveehouderij, varkenshouderij én de akkerbouwsector betrokken zijn. Het convenant moet gericht zijn op emissiereductie in vier grotere regio’s (zie punt 5), die elk hun eigen uitdagingen kennen. Dit plan heeft als doel om per regio de ammoniakemissies stap voor stap te reduceren, met een looptijd tot 2035. Een gefaseerde, regionale aanpak zorgt voor maatwerk en is beter afgestemd op lokale omstandigheden. Ik denk dat er ook specifieke sectoraal doelen moeten komen binnen deze sector overkoepelende aanpak..

Om een effectieve en duurzame aanpak te ontwikkelen voor het stikstofbeleid, is het noodzakelijk om emissie en depositie beleidsmatig van elkaar te gaan scheiden. Waar emissie verwijst naar de uitstoot van stikstofverbindingen door een bedrijf, heeft depositie betrekking op de uiteindelijke invloed van deze stoffen op de natuur. Een duidelijke scheiding tussen deze twee elementen biedt ruimte voor een realistischer en gerichter beleid dat niet alleen de bedrijfsvoering reguleert, maar ook rekening houdt met de specifieke noden en mogelijkheden van natuurbeheer (zie punt 3).

Het is aan de sector en haar ondernemers zelf om te bekijken wat de oplossingen gaan zijn die in de praktijk toegepast gaan worden. Reductie kan bestaan uit stal-aanpassingen, technologie zoals gaswassers, minder vee, andere voer of een combinatie. Ook meer grond aankopen (= meer depositie op het bedrijf) behoort tot de mogelijkheden.

3. Ook Natuurorganisaties en Terrein beherende Organisaties (TBO) maken een Tien-jaarplan

In dit kader is het essentieel dat natuurorganisaties en terrein beherende organisaties (TBO’s) een leidende rol krijgen in het opstellen van een langdurig natuurbeheerplan met een horizon tot 2035.

Dit plan moet verder gaan dan enkel richtlijnen voor verandering en uitbreiding van natuurgebieden. Het moet ook gedetailleerd inzicht geven in de praktische kant van natuurbeheer, zoals herstelmaatregelen, bescherming tegen externe invloeden en onderhoudsstrategieën die op de lange termijn duurzame resultaten opleveren. Een dergelijk geïntegreerd plan zorgt ervoor dat de maatregelen niet alleen in lijn zijn met emissiereductiedoelen, maar ook met de ecologische en operationele behoeften van natuurgebieden.

Door natuurorganisaties en TBO’s een primaire verantwoordelijkheid te geven in dit proces, wordt de kennis en ervaring van deze partijen benut om het beleid beter af te stemmen op de praktische realiteit. Bovendien maakt een langdurige aanpak het mogelijk om natuurherstel en -onderhoud op elkaar af te stemmen, waardoor er een stabieler evenwicht ontstaat tussen menselijke activiteiten en natuurbescherming.

4. Een goed voorbeeld voor in de bufferzones – Natuurlijk Agrarisch Beheer (NAB)

Het Natuurlijk Agrarisch Beheer (NAB) kan een nieuwe regeling gericht zijn op het heropleven van het Nederlandse boerencultuurlandschap. Het NAB-programma is vrijwillig en beoogt landbouwgrond in en nabij natuurgebieden duurzaam te beheren zonder het te herbestemmen tot natuurgrond. In deze bufferzones werken extensieve boeren(organisaties) samen met de natuurorganisaties en TBO’s rondom de genoemde genoemde heropleving.

De regeling beoogt ook de stikstofuitstoot in Nederland aan te pakken door kunstmest uit te faseren en vaste ruige stalmest lokaal te gebruiken, wat de lokale nutriëntenkringloop herstelt en emissies vermindert. Bij de bufferzone’s en ook de streng te beschermen natuurgebieden kan ruige (gecomposteerde) stalmest toegepast moet kunnen blijven worden en inzet van kunstmest en drijfmest uitgefaseerd worden naar nul. Deze aanpak versterkt de voedselzekerheid door Nederland door (unieke) streekproducten en eigen boerenproductie te behouden. Het gebruik van pesticiden wordt uitgesloten, met beperkte uitzonderingen onder toezicht. NAB creëert zo een vitaal, natuurrijk cultuurlandschap en bevordert de productie van streekvoedsel.

5. Opdeling van Nederland is vier regio’s waar de druk verschillende is.

Naar aanleiding van de grote verschillen in stikstofdruk tussen regio’s in Nederland, is het voorstel om vier type gebieden te creëren, elk met een specifieke set maatregelen en een budget dat door de rijksoverheid wordt toegewezen. Door regionale maatwerkoplossingen te introduceren, kunnen maatregelen worden afgestemd op de daadwerkelijke milieudruk. Dit voorkomt dat er ingrijpende beperkingen worden opgelegd in regio’s waar de druk laag is, en richt middelen daar waar de stikstofproblematiek het grootst is.

Het eerste type gebied bestaat uit regio’s zonder noemenswaardige natuurdruk. In deze gebieden zijn er weinig tot geen maatregelen nodig voor verdere stikstofreductie, omdat de milieudruk laag is en de impact op de natuur beperkt. Monitoring blijft wel essentieel om de situatie te blijven volgen en eventuele veranderingen vroegtijdig te signaleren. Dit type regio krijgt een minimaal budget, hoofdzakelijk gericht op monitoring en onderhoud van de huidige situatie.

Het tweede type gebied omvat regio’s met lichte milieudruk. Hier is de noodzaak voor stikstofreductie aanwezig, maar ingrijpende maatregelen zijn nog niet vereist. In deze gebieden ligt de focus op emissiebeperkende technieken die minimale impact hebben op de bedrijfsvoering van agrariërs. Bijvoorbeeld door het gebruik van geoptimaliseerde bemestingsmethoden kan de stikstofuitstoot beperkt worden zonder economische belemmeringen. Voor dit type regio’s stelt de overheid een budget beschikbaar voor innovatie en ondersteunende maatregelen die gericht zijn op preventie en verbetering.

Het derde type gebied betreft regio’s met een matige natuurstress. Hier is het doel om de stikstofemissies aanzienlijk te reduceren, terwijl de economische structuur behouden blijft. In deze gebieden wordt gewerkt met emissieplafonds, en bedrijven worden gestimuleerd om te verduurzamen. Ook worden vrijwillige uitkoopopties en ruilverkaveling actiever ingezet om de stikstofdruk effectief te verlagen zonder een gedwongen herstructurering, specifiek in de bufferzones. Voor deze regio’s reserveert de overheid een substantieel budget, dat gericht is op de stimulering van duurzame investeringen, compensatie bij ruilverkaveling, en verbeterde monitoring van de voortgang.

Het vierde en laatste type gebied omvat regio’s met hoge natuurdruk, waar de stikstofproblematiek het meest urgent is. Hier zijn drastische maatregelen noodzakelijk om kwetsbare natuurgebieden te beschermen. Dit beleid omvat strikte afstandsregels rond stikstofgevoelige natuurgebieden en in sommige gevallen vergaande maatregelen zoals verplaatsing of uitkoop van agrarische bedrijven. De effectiviteit van deze maatregelen wordt voortdurend geëvalueerd door middel van uitgebreide monitoring en wetenschappelijke ondersteuning. De overheid stelt voor deze gebieden het hoogste budget beschikbaar, met fondsen voor compensatie, vrijwillige uitkoop, natuurbescherming en het toepassen van emissiearme technologieën.

6. Monitoring en Verantwoording van Emissies per Bedrijf

Om de voortgang en effectiviteit van de maatregelen te volgen, is een systeem vergelijkbaar met de Kringloopwijzer (KLW) nodig. Deze KLW moet dus uitgebreid worden naar de varkens, kippen en geiten en op termijn naar de akkerbouw. De overheid mag individuele bedrijven echter uitsluitend vragen naar de totale jaarlijkse emissies per bedrijf naar bodem, water en lucht, zonder nadere details in te zien of te willen verkrijgen.

Deze aanpak is te vergelijken met een beknopte financiële jaarrekening: de overheid (KvK) krijgt inzage in kerncijfers zonder toegang tot gedetailleerde bedrijfsinformatie. Dit voorkomt ongewenste inmenging en waarborgt de privacy van agrariërs. Uitgebreide stoffenbalansen, die momenteel politiek worden overwogen, bieden te veel details en zijn niet werkbaar in de praktijk.

7. Flexibiliteit in Emissiemetingen voor Boeren, over het ‘Hoe’.

De vraag hoe emissies op bedrijfsniveau gecontroleerd moeten worden, vereist een flexibele benadering. Elk bedrijf zou de keuze moeten hebben om emissies te berekenen op basis van standaard RVO-RAV factoren of via eigen metingen. Zelfmetingen zijn niet eenvoudig maar moeten als optie beschikbaar zijn voor wie dit wenst. Dit geeft boeren de ruimte om verantwoordelijkheid te nemen en innovatief om te gaan met emissiemanagement. Doel is om met redelijk zekerheid de emissies naar water, bodem en lucht te kunnen gaan rapporteren naar centraal gezag.

8. Landelijke Monitoring van Luchtkwaliteit via Regenwater.

Om te controleren of de landelijke concentratie van ammoniak daadwerkelijk afneemt, moet de overheid (mogelijk in samenwerking met het RIVM) een monitoringssysteem (door)ontwikkelen. In mijn rapport Deel 1 stel ik voor om het aantal regenwatermeetpunten uit te breiden en natte depositie als indicator te gebruiken. Dit biedt een representatieve weergave van de situatie op landelijk niveau. Daarnaast moeten deze metingen worden gecorrigeerd voor lokale neerslaghoeveelheden, aangezien regenval en temperatuur invloed hebben op natte depositie. Een dergelijk gecorrigeerd model kan relatief eenvoudig worden ontwikkeld en geeft een reële weergave van de actuele situatie.

Geef een reactie op Professor Wim de Vries (WUR) bij NPO’s Op z’n Kop – Kritische Reflecties op het Stikstofdebat – StikstofInfo.net – Alles over Ammoniak en stikstofverbindingen Reactie annuleren

11 reacties

  1. Clemens Vrauwdeunt Avatar
    Clemens Vrauwdeunt

    Begrijp het nog iet helemaal, maar dat komt omdat ik geen deskundige ben opdit gebied. Kan zijdelings alleen meepraten op basis van ervaringen bij mijn werkzaamheden bij kunstmest en amoniak gebaseerde producten als ureum en kalkamonsalpeter en amoniak vloeibaar tranporten naar noord frankrijk. Daar werd de ammoniak direct in de landbouw gond gespoten, kreeg toen te horen dat na een *x* aantal jaren die grond voor minimaal2 2 jaar niet meer bruikbaar was.

    Geliked door 1 persoon

  2. […] model dat ik eerder heb genoemd, ‘Natuurlijk Agrarisch Beheer‘, is hier een voorbeeld van. Dit combineert wetenschap en praktijk om duurzame landbouw in […]

    Geliked door 1 persoon

  3. […] aanpakken zonder de ecologische integriteit van Natura 2000-gebieden in gevaar te brengen. Hoe dan wel? Hiervoor is recent ook een houtskoolschets geschreven. Dit vereist een balans tussen ecologie, economie en juridische haalbaarheid — een uitdaging die […]

    Geliked door 1 persoon

  4. […] ik voorstel, is een terugkeer naar emissiegerichte aanpakken. Emissie is meetbaarder, eerlijker en directer te koppelen aan verantwoordelijkheid. Depositie, waarbij men probeert te bepalen waar stikstof daadwerkelijk landt, is afhankelijk van […]

    Geliked door 1 persoon

  5. […] achter sta. Flexibiliteit en innovatie zijn cruciaal. Zoals ik al eerder stelde in mijn beleidsvoorstel, moeten boeren zelf de keuze hebben: werken met tools zoals de KringloopWijzer, of gebruik maken […]

    Geliked door 1 persoon

  6. […] Lokale verschillen: De invloed van stikstof verschilt sterk per locatie. Beleid zou gericht moeten zijn op maatwerk per natuurgebied in plaats van generieke normen. […]

    Geliked door 1 persoon

  7. […] Ammoniakrechten en regionale impact: Het idee om ammoniakemissierechten verhandelbaar te maken klinkt aantrekkelijk, maar mist een cruciaal inzicht: ammoniak heeft een regionale impact. De verkoop van rechten vanuit Friesland naar de Peel zou bijvoorbeeld niets verbeteren aan de natuur in de Peel. In tegenstelling tot CO2, dat een mondiaal probleem is, speelt ammoniak zich af op veel kortere afstand en tijdsschaal. Dit maakt een regionale aanpak noodzakelijk. […]

    Geliked door 1 persoon

  8. […] dat voor het hele land geldt, houdt onvoldoende rekening met de verschillen tussen regio’s. Door emissies per gebied te analyseren en daarop beleid te baseren, kunnen maatregelen effectiever w…. In gebieden met kwetsbare natuur kan de nadruk liggen op emissiebeperking, terwijl in andere […]

    Geliked door 1 persoon

  9. […] NOₓ en NH₃ is niet nieuw. Landbouworganisaties zoals LTO Nederland pleiten hier al jaren voor. Echter, de overheid negeert deze oproepen en blijft vasthouden aan een integraal stikstofbeleid waar…Dit maakt het mogelijk om ammoniakreductie in de landbouw te ‘verkopen’ als compensatie voor […]

    Geliked door 1 persoon

  10. […] norm is desastreus voor de samenleving en economie. De KDW moet zo snel mogelijk uit de wet. De focus moet verschuiven naar emissiegericht beleid, met maatwerk in bufferzones rondom kwetsbare N… Tenslotte moet er een scheiding komen tussen NOx en Ammoniak beleid (en […]

    Geliked door 1 persoon