Waarom de brief van LTO Nederland over het UPLG Utrecht geen tegenwerking is, maar een noodzakelijke correctie op eerder gemaakte afspraken

De brief die LTO Nederland onlangs stuurde aan Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht verdient een positieve en zorgvuldige bespreking. Niet omdat zij de discussie op scherp zet, maar juist omdat zij dat níet doet. De brief is helder, feitelijk en consequent. Zij herinnert het provinciebestuur aan afspraken die eerder gezamenlijk zijn gemaakt en legt precies daar de vinger op de zere plek waar het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) afwijkt van het breed gedragen Bouwstenendocument Emissiereductie Landbouw dat LTO samen met Interprovinciaal Overleg en andere partijen opstelde.

Die correctie is niet alleen legitiem, maar ook noodzakelijk. In het stikstofdossier is het vertrouwen tussen overheid en ondernemers broos. Juist daarom zijn gezamenlijke afspraken, volgordelijkheid en rechtszekerheid geen details, maar randvoorwaarden.

Bouwstenen zijn geen keuzemenu

Een van de kernpunten in de brief is de constatering dat de provincie Utrecht selectief winkelt in het bouwstenenakkoord dat LTO met IPO heeft afgesproken. Dat akkoord was juist bedoeld als samenhangend geheel: doelsturing in plaats van middelsturing, ruimte voor maatwerk, en vooral een duidelijke koppeling tussen emissiereductie en herstel van vergunningverlening. Wie één bouwsteen los trekt en de rest laat liggen, ondergraaft het fundament.

LTO Nederland benoemt dit zonder omwegen. Ondernemers krijgen in het UPLG vergaande verplichtingen opgelegd, terwijl de zekerheid over vergunningverlening “veel te vrijblijvend” blijft. Dat is geen semantische discussie, maar een principieel punt. Investeren in emissiereductie vergt kapitaal, tijd en vertrouwen. Zonder zicht op legale bedrijfsvoering na 2027 wordt doelsturing in de praktijk dwang zonder perspectief.

Lokale verordeningen als beleidsvalkuil

De grootste zorg – en die wordt op stikstofinfo.net al langer gedeeld – zit in het vastleggen van vergaande eisen in een provinciale verordening. De brief van LTO benoemt deze expliciet: een norm van 40 kg ammoniakemissie per hectare, een generieke eis van 95% emissiereductie voor stallen van hokdieren, een verbod op gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt, en een extreem lage norm van maximaal 100 kg dierlijk stikstof binnen bufferstroken van 250 meter.

Dit soort normen zijn niet alleen streng, maar vooral rigide. Zij laten nauwelijks ruimte voor bedrijfsspecifieke omstandigheden, technische innovatie of gebiedsgerichte afwegingen. Bovendien worden ze juridisch verankerd in een omgevingsverordening, waardoor zij direct handhaafbaar worden, zonder dat de werking in de praktijk is gevalideerd.

Dat is een fundamenteel andere route dan afgesproken in het bouwstenendocument, waarin doelbereik centraal staat en middelen flexibel zijn. LTO benoemt terecht dat hiermee de landbouw als “vierde pijler” van het UPLG feitelijk wordt uitgehold.

Melkvee, hokdieren en de grenzen van generiek beleid

De 40 kg-norm voor melkveehouderij is illustratief. Deze norm wordt vooraf vastgelegd, los van lokale omstandigheden, bedrijfstype of reeds gerealiseerde reducties. Daarmee verandert doelsturing alsnog in middelsturing. Voor niet-grondgebonden sectoren geldt hetzelfde bij de generieke 95%-eis. Best Beschikbare Technieken (BBT) worden zo een verplicht eindstation in plaats van een ontwikkelpad.

Het risico hiervan is tweevoudig. Technisch kan de eis in specifieke situaties onhaalbaar blijken, bijvoorbeeld door bouwkundige beperkingen of netcongestie. Economisch leidt zij tot investeringsonzekerheid, juist bij bedrijven die recent al hebben geïnvesteerd in emissiereducerende maatregelen.

Bufferzones en stapeling van normen

Extra zorgelijk is de stapeling van maatregelen in bufferzones. Een verplicht maximum van 100 kg dierlijke stikstof per hectare, geen kunstmest, en daarbovenop aanvullende emissie-eisen zorgen voor een cumulatief effect dat in de praktijk neerkomt op functieverlies van landbouwgrond. LTO wijst er terecht op dat onvoldoende inzichtelijk is hoeveel bedrijven hierdoor geraakt worden en in welke mate.

Ook hier ontbreekt de analyse van proportionaliteit en effectiviteit. De brief maakt duidelijk dat het niet gaat om het principe van bufferzones an sich – gebiedsprocessen zijn prima – maar om de manier waarop zij juridisch worden dichtgetimmerd zonder ruimte voor maatwerk.

Fruit, veenweide en piekbelasters

Het voorgenomen verbod op gewasbeschermingsmiddelen in de fruitteelt raakt een sector die juist sterk regionaal geconcentreerd is en al zwaar onder druk staat. Eveneens benoemt LTO de verplichte peilmaatregelen in veenweidegebieden en de nieuwe, provinciale definitie van “piekbelaster”, die circa dertig bedrijven direct raakt. Dit zijn ingrijpende keuzes met grote sociaaleconomische gevolgen, die in het UPLG onvoldoende zijn uitgewerkt.

Constructief, niet obstructief

Wat deze brief bijzonder maakt, is de toon. LTO Nederland kiest niet voor polarisatie, maar voor consistentie. Zij verwijst expliciet naar het constructieve overleg met formerende partijen en benadrukt de wens om gezamenlijk op te blijven trekken. De oproep om provinciale plannen op te schorten totdat er landelijk duidelijkheid is, is geen vertragingstactiek, maar een pleidooi voor een gelijk speelveld en bestuurlijke zorgvuldigheid.

Die lijn verdient steun. Niet alleen vanuit de sector, maar ook vanuit het bredere maatschappelijke belang. Beleid dat juridisch sneuvelt of economisch onuitvoerbaar blijkt, helpt natuur noch ondernemer.

Een noodzakelijke realitycheck

De brief van LTO Nederland is daarmee een noodzakelijke realitycheck voor het UPLG Utrecht. Zij herinnert bestuurders eraan dat afspraken geen vrijblijvende intenties zijn en dat vertrouwen tweerichtingsverkeer is. Emissiereductie kan alleen duurzaam worden gerealiseerd als zij hand in hand gaat met rechtszekerheid, investeringsruimte en bestuurlijke consistentie.

Voor stikstofinfo.net sluit deze analyse naadloos aan bij eerdere signalen: lokale verordeningen met harde, generieke normen vormen een reëel risico voor zowel de landbouw als de bestuurlijke geloofwaardigheid van het stikstofbeleid. Juist daarom is het goed dat LTO Nederland dit nu scherp, maar constructief adresseert.

Wie werkelijk werk wil maken van natuurherstel én toekomstbestendige landbouw, kan deze brief niet naast zich neerleggen. Het er zijn echter teveel aanwijzingen dat het bestuur van Utrecht dit wel gaat doen en koppig doorgaat met haar plan. Zorgelijk!

Plaats een reactie

Eén reactie

  1. […] Vorige week publiceerde ik op stikstofinfo.net een positieve analyse van de brief die LTO Nederla… Die brief werd soms gelezen als tegenwerking, maar was in werkelijkheid een noodzakelijke correctie op eerder gemaakte afspraken. Vandaag is die lijn overtuigend doorgetrokken. In Nieuwe Oogst verscheen een artikel waarin LTO-voorzitter Ger Koopmans toelicht waarom het huidige UPLG in Utrecht onuitvoerbaar is en voelt als een geplande uitfasering van delen van de landbouw. Tegelijkertijd sprak hij met gedeputeerde Mirjam Sterk in Utrecht. […]

    Like