COTAG metingen in de Noord-Hollandse duinen: meten we eindelijk wat er werkelijk neerkomt?
← Terug naar overzicht

COTAG metingen in de Noord-Hollandse duinen: meten we eindelijk wat er werkelijk neerkomt?

De discussie over ammoniak in de Nederlandse kuststrook sleept al jaren voort. Modellen berekenen er te weinig ammoniak in de lucht, waarna modeluitkomsten met metingen worden gecorrigeerd. Tegelijkertijd lieten eerdere directe fluxmetingen in de duinen zien dat modellen de droge depositie juist fors kunnen overschatten. Nieuwe COTAG-metingen van het RIVM in het Noordhollands Duinreservaat maken die discussie relevanter dan ooit. Maar ze vragen ook om zorgvuldig rekenen.

Sinds 2021 staat in het Noordhollands Duinreservaat een COTAG-mast van het RIVM. Door technische problemen begint de bruikbare reeks pas in april 2023. Het instrument meet ammoniakconcentraties op twee hoogtes en combineert het concentratieverschil met informatie over atmosferische turbulentie. Daarmee wordt de verticale flux van ammoniak bepaald: hoeveel NH₃ daadwerkelijk richting vegetatie en bodem beweegt — of er juist weer vandaan komt.  

Dat is belangrijk. Want waar AERIUS en OPS de depositie grotendeels berekenen, probeert COTAG de verticale flux daadwerkelijk in het veld vast te stellen. Bekijk hieronder de COTAG-metingen in het Noordhollands Duinreservaat bij het RIVM.

Lage fluxen, maar let op de eenheid

De grafiek van het RIVM is op het eerste gezicht spectaculair. De gemeten droge NH₃-depositie ligt per meetperiode grofweg tussen circa 0,1 en 0,6 kg N per hectare. Geen enkele afzonderlijke meetperiode komt in de buurt van 1 kg N/ha.

Maar hier moeten we precies zijn. Het RIVM schrijft expliciet dat de getallen betrekking hebben op de depositie gedurende de betreffende meetperiode. De COTAG-buizen worden ongeveer maandelijks verwisseld. Eén kilogram stikstof per hectare in de grafiek correspondeert met 71,4 mol N per hectare gedurende die meetperiode. Dus:

1 kg N/ha = 71,4 mol N/ha.

Een meetwaarde van bijvoorbeeld 0,40 kg N/ha gedurende een meetperiode vertegenwoordigt ongeveer:

0,40 × 71,4 = 28,6 mol N/ha.

De punten uit de grafiek mogen daarom niet afzonderlijk als jaarflux worden geïnterpreteerd. Maar wie de beschikbare perioden uit 2024 simpelweg middeld krijgt wel een eerste indruk. Zo’n middeling is dus geen officiële jaarwaarde, omdat perioden ontbreken en het RIVM nog geen gevalideerde jaarcijfers voor deze mast publiceert. Het RIVM zegt daar zelf over dat de omrekening naar maand- en jaarcijfers pas beschikbaar komt wanneer voldoende meetgegevens zijn verzameld. Dat voorbehoud moeten we dus vooralsnog respecteren.

Maar daarmee verdwijnt het werkelijke probleem niet

De interessante vraag is namelijk niet of één meetperiode onder 1 kg blijft. De interessante vraag is:

hoe verhouden de gemeten COTAG-fluxen zich tot de droge depositie die OPS/DEPAC voor precies deze locatie en vegetatie berekent?

En daar raakt deze nieuwe meetreeks aan een probleem waarover StikstofInfo al eerder schreef. In maart 2025 beschreven we de fluxmetingen van Vendel et al. in het duingebied Solleveld bij Den Haag. Daar werd de droge NH₃-depositie gedurende een jaar bepaald met een geavanceerde gradiëntmethode. De uitkomst bedroeg ongeveer 1,8 ± 0,4 kg N/ha/jaar, oftewel circa:

129 ± 29 mol N/ha/jaar.

DEPAC (het droge depositie model binnen OPS) kwam voor dezelfde situatie ruim twee keer hoger uit. De gemeten gemiddelde flux bedroeg 7,1 ± 1,7 ng/m²/s, terwijl het model ongeveer 17 ng/m²/s berekende. Dat is dus absoluut geen detail. De onderzoekers wezen onder meer op de parametrisatie van duinvegetatie, de Leaf Area Index, bodemweerstand en compensatiepunten voor ammoniak. Een duin is nu eenmaal geen Engels raaigrasveld. Lees ook: Wanneer de werkelijkheid anders blijkt dan het model – ammoniakdepositie in Solleveld

Het raadsel van het ammoniakgat

Daarmee komen we terug bij een ander merkwaardig fenomeen. Het RIVM constateert al lange tijd dat in de duinen meer ammoniak in de lucht wordt gemeten dan OPS berekent. Volgens de actuele informatie over het Meetnet Ammoniak Nederland zijn de gemeten concentraties in de duinen zelfs ongeveer twee tot vier keer hoger dan de berekende concentraties.

Oorspronkelijk werd een belangrijk deel van dit verschil verklaard met een veronderstelde bron: ammoniak uit zee.

Die verklaring bleek onvoldoende. Het RIVM concludeerde later dat de werkelijke emissie vanuit zee veel lager was dan eerder aangenomen. De kustcorrectie bleef echter nodig omdat het verschil tussen gemeten en berekende concentraties daarmee niet verdwenen was. Daarover schreven we eerder: Het ammoniakgat en de overschatting van droge depositie in de duinen.

en: Feiten en misvattingen over een vermeende stikstofbron: ammoniak uit zee. StikstofInfo opperde destijds een andere hypothese: wat als niet de emissie ontbreekt, maar de droge depositie in het model te groot is?

Dat mechanisme is eenvoudig: te hoge gemodelleerde depositie → ammoniak verdwijnt in het model te snel uit de atmosfeer → berekende concentratie wordt te laag → gemeten concentratie lijkt te hoog → meetcorrectie wordt noodzakelijk. De metingen in Solleveld maakten die hypothese in ieder geval plausibel. De COTAG-reeks in het Noordhollands Duinreservaat biedt nu een mogelijkheid om haar rechtstreeks te toetsen. Vooralsnog blijven we bij de eerdere conclusies: de meetcorrectie is te hoog.

Van ‘matsfactor’ naar echte validatie

Dat is des te belangrijker omdat modelberekeningen voor de landelijke depositiekaarten worden gekalibreerd aan metingen. Het RIVM noemt dit tegenwoordig expliciet kalibratie of meetcorrectie. Sinds 2025 gebruikt het daarvoor een nieuwe methode op basis van regression kriging. Maar hier ontstaat een principieel punt Een meting van de NH₃-concentratie is nog geen meting van de NH₃-depositie.

Wanneer een model een te lage concentratie berekent, kun je de berekende concentratie corrigeren totdat die overeenkomt met de waarneming. Maar daarmee heb je nog niet bewezen dat de in hetzelfde model gebruikte depositiesnelheid correct is.

Dat onderscheid is in de duinen essentieel. Een hogere gemeten ammoniakconcentratie kan immers juist samengaan met een lagere depositiesnelheid. Er blijft dan meer ammoniak in de lucht omdat minder ammoniak door het oppervlak wordt opgenomen. Precies daarom zijn de COTAG-metingen best wel waardevol.

Waarschijnlijk geen overschrijding van KDW in Duinen Noord-Holland.

Ook hier moeten we oppassen voor een te grote sprong. De laagste KDW’s die voor stikstofgevoelige habitattypen in het Noordhollands Duinreservaat zijn gehanteerd, liggen in de orde van honderden mol N/ha/jaar; in de oudere gebiedsanalyse bijvoorbeeld 714 mol N/ha/jaar voor enkele typen grijze duinen. De COTAG meet echter alleen de droge depositie van NH₃ op één meetlocatie.

De totale stikstofdepositie bestaat daarnaast uit onder meer natte NHx-depositie en droge en natte depositie van geoxideerde stikstofverbindingen. Daarom kan uit deze COTAG-reeks alleen niet worden geconcludeerd dat de totale depositie onder de KDW ligt — laat staan dat er nergens in Noord-Holland een stikstofprobleem bestaat. Dat zou wetenschappelijk dezelfde fout zijn die we modellen verwijten: méér precisie en ruimtelijke geldigheid suggereren dan de gegevens toelaten. Maar in alle eerlijkheid, het lijkt er wel op!

De echte conclusie is minstens zo ongemakkelijk

De COTAG-mast in het Noordhollands Duinreservaat levert iets belangrijkers op dan een gemakkelijk politiek getal. We krijgen eindelijk directe veldinformatie over een van de minst goed gemeten onderdelen van de Nederlandse stikstofbalans: de droge depositie van ammoniak in kustnatuur. En juist daar bestaat al jaren een opvallende tegenstelling.

OPS berekent in de duinen te lage NH₃-concentraties. Daarom zijn correcties nodig. Tegelijkertijd liet onafhankelijk fluxonderzoek in Solleveld zien dat DEPAC de droge depositie daar met meer dan een factor twee kon overschatten. Nu meet het RIVM met COTAG rechtstreeks de flux in het Noordhollands Duinreservaat.   De logische volgende stap is daarom niet nóg een correctiefactor. De logische stap is een openbare validatie:

COTAG versus OPS/DEPAC, op dezelfde locatie, voor dezelfde perioden, met dezelfde meteorologie en dezelfde vegetatie.

Publiceer voor iedere COTAG-meetperiode de gemeten én berekende droge NH₃-depositie. Publiceer vervolgens de verhouding tussen beide, inclusief onzekerheidsinterval. Doe hetzelfde voor de concentratie. Dan wordt zichtbaar of het model in de duinen inderdaad tegelijkertijd te weinig ammoniak in de lucht en te veel ammoniak op de bodem berekent.

Als dat zo blijkt te zijn, raakt dat rechtstreeks aan de fysische basis van de kustcorrectie en aan de berekende depositiebalans van de Nederlandse duingebieden. Na jaren rekenen verdient juist dit dossier een eenvoudige wetenschappelijke regel:

eerst meten wat er werkelijk neerkomt, daarna pas het model corrigeren (en dus niet op voorhand corrigeren).

Meer Artikelen

Aerius-OPS
Aerius-OPS

RIVM 2026 – “De stikstofdepositie daalt.” Maar wat weten we eigenlijk precies? Over onzekerheid en andere drukfactoren.

De nieuwe RIVM-monitor toont een significante daling van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden sinds 2005, maar veel natuur blijft boven de kritische waarde. Onzekerheden en meteorologische factoren beïnvloeden de berekeningen. Ondanks de vooruitgang blijft de afstand tot wettelijke doelen groot, waarbij de monitor vooral inzicht biedt in trends en niet enkel absolute waarden.

Lees meer →
Aerius-OPS
Aerius-OPS

Hoe nauwkeurig weten we eigenlijk hoeveel ammoniak een boerderij uitstoot? En wat betekent dit landelijk? Onzekerheden zijn gewoonweg groot!

De Nederlandse ammoniakemissie van 112,6 kiloton in 2024 biedt een betrouwbaar nationaal overzicht, maar de precisie op lokaal niveau fluctueert sterk. Onderzoek toont aan dat onzekerheid toeneemt bij meer gedetailleerde analyses. De verschillen tussen nationale en individuele emissiefactoren dragen bij aan onnauwkeurigheid, wat de relevantie van modellering in de landbouw uitdaagt.

Lees meer →