RIVM 2026 – “De stikstofdepositie daalt.” Maar wat weten we eigenlijk precies? Over onzekerheid en andere drukfactoren.
Nieuwe RIVM-monitor laat niet alleen een dalende stikstofbelasting zien, maar maakt ook opvallend duidelijk waar de grenzen van de berekeningen liggen
De stikstofdepositie op Nederlandse Natura 2000-gebieden is sinds 2005 aanzienlijk afgenomen. Tegelijkertijd ligt volgens de berekeningen nog altijd een groot deel van de stikstofgevoelige natuur boven de kritische depositiewaarde. Wie alleen die twee conclusies uit de nieuwe Monitor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden 2026 van het RIVM haalt, mist echter misschien wel het interessantste deel van het rapport.
Want het RIVM besteedt veel aandacht aan onzekerheden, de invloed van het weer, de gevoeligheid van de KDW-indicator en het verschil tussen landelijke trends en lokale berekeningen. Daardoor ontstaat een genuanceerder beeld. De langjarige ontwikkeling van de stikstofdepositie kan redelijk goed worden gevolgd. Maar hoe verder wordt ingezoomd naar één locatie en één absoluut getal, hoe groter de onzekerheid wordt. Dat onderscheid is belangrijk voor de manier waarop stikstofcijfers worden geïnterpreteerd.
Een duidelijke daling sinds 2005
De eerste conclusie van het rapport is weinig ambigu. Tussen 2005 en 2024 nam de berekende stikstofdepositie op stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden met ongeveer 29 procent af. Dat komt overeen met ongeveer 545 mol stikstof per hectare per jaar. Gemiddeld daalde de depositie in die periode met ongeveer 1,8 procent per jaar. Voor 2024 berekent het RIVM, bij gemiddelde weersomstandigheden, een depositie van ongeveer 1.295 mol stikstof per hectare per jaar.
Ook de mate waarin de kritische depositiewaarde wordt overschreden, is sterk afgenomen. Tussen 2005 en 2024 daalde de gemiddelde overschrijding met ongeveer 53 procent. Het oppervlak stikstofgevoelige natuur waar de depositie onder de KDW ligt, nam tegelijkertijd toe van ongeveer 21 naar 31 procent.
Dat verschil tussen beide indicatoren is relevant. De hoeveelheid stikstof bóven de KDW is in bijna twintig jaar ongeveer gehalveerd, terwijl het percentage natuur dat daadwerkelijk onder die grens terechtkomt veel minder snel stijgt. Een dalende depositie wordt immers pas zichtbaar in de indicator ‘oppervlak onder KDW’ wanneer daadwerkelijk de grens wordt gepasseerd.
Het RIVM wijst daar zelf nadrukkelijk op. Een gebied dat bijvoorbeeld van een forse naar een kleine KDW-overschrijding gaat, blijft in de binaire indicator nog steeds ‘boven KDW’, terwijl de stikstofdruk wel degelijk is verminderd. Daarom acht het instituut het verstandig om meerdere indicatoren naast elkaar te gebruiken.

Landbouw blijft de grootste binnenlandse bron
Volgens de berekeningen kwam in 2024 ongeveer 48 procent van de depositie op stikstofgevoelige Natura 2000-natuur uit de Nederlandse landbouw. Nederlandse mobiliteit was verantwoordelijk voor ongeveer 11 procent. Buitenlandse bronnen leverden ongeveer 35 procent.
Uitgedrukt in absolute depositiebijdragen berekent het RIVM voor de Nederlandse landbouw 677 mol per hectare per jaar, voor mobiliteit 162 mol en voor industrie en energie 36 mol. Buitenlandse bronnen zijn samen goed voor 493 mol. Vervolgens wordt op het totaal een kalibratiecorrectie van minus 118 mol toegepast. Het uiteindelijke gemiddelde komt daarmee uit op 1.294 mol per hectare per jaar.
Die kalibratie is methodologisch belangrijk. De correctie kan niet worden toegerekend aan één specifieke sector. De percentages per sector moeten daarom worden gelezen als berekende bronbijdragen binnen het gebruikte model- en emissiesysteem, niet als afzonderlijk gemeten depositiefracties.
Ook de onderliggende emissies zijn sinds 2005 sterk veranderd. De Nederlandse ammoniakemissie daalde volgens de Emissieregistratie van ongeveer 155 kiloton in 2005 naar 113 kiloton in 2024. Daarvan kwam in 2024 ongeveer 101 kiloton uit de landbouw. De emissie van stikstofoxiden daalde in dezelfde periode van ongeveer 499 naar 269 kiloton.
Binnen de landbouw zijn de verschillen groot. Zo meldt het RIVM dat de ammoniakemissie uit varkensstallen sinds 2005 met 64 procent is afgenomen. Bij rundveestallen verliep de ontwikkeling anders, onder andere door veranderingen in de omvang van de veestapel na het verdwijnen van het melkquotum en de latere invoering van fosfaatrechten.
Depositie is niet hetzelfde als emissie
Een bijzonder illustratief onderdeel van het rapport gaat over 2025. De voorlopige berekening laat voor dat jaar ongeveer 25 procent minder depositie zien dan voor 2024. Dat betekent niet dat de stikstofemissies in één jaar met een kwart zijn afgenomen. Het belangrijkste verschil was het weer.
In 2025 viel bijna 40 procent minder neerslag dan in 2024. De gemeten natte depositie lag daardoor 43 procent lager. De droge depositie nam volgens de voorlopige berekening met ongeveer 9 procent af. Tegelijkertijd waren de concentraties ammoniak en stikstofoxiden in de lucht juist hoger dan een jaar eerder.
Het is een fraaie illustratie van een onderscheid dat in het stikstofdebat gemakkelijk verloren gaat. Emissie, concentratie en depositie zijn drie verschillende grootheden. Tussen uitstoot aan de bron en uiteindelijke depositie zitten atmosferisch transport, chemische omzetting, wind, regen en interacties met bodem en vegetatie.
Het RIVM schat de jaarlijkse variatie in depositie als gevolg van meteorologische omstandigheden op een orde van grootte van 10 tot 20 procent. Daarom gebruikt het instituut voor de beoordeling van structurele ontwikkelingen langjarige trends en voor de actuele beleidsindicator berekeningen met gemiddelde meteorologische omstandigheden. De lage depositie van 2025 mag volgens het RIVM dan ook niet worden geïnterpreteerd als bewijs voor een plotselinge structurele verbetering.
Van landelijk gemiddelde naar één hectare
Misschien het meest relevante hoofdstuk voor de interpretatie van de cijfers is hoofdstuk 7, over onzekerheden. Het RIVM schrijft dat het bij landelijke depositieberekeningen zeer waarschijnlijk is — omschreven als een waarschijnlijkheidsinterval van 95 procent — dat de werkelijke depositie binnen ongeveer 30 procent boven of onder de berekende waarde ligt.
Op lokaal niveau is de onzekerheid aanzienlijk groter. Voor een individueel rekenpunt, op een schaal van één hectare tot één vierkante kilometer, noemt het RIVM een onzekerheid van ongeveer 70 procent bij hetzelfde waarschijnlijkheidsniveau. De berekende waarde geldt daarbij als de meest waarschijnlijke waarde.
Dat betekent niet dat een berekening op lokaal niveau waardeloos is. Het betekent wel dat aan bijvoorbeeld 1.000 mol per hectare op één individueel rekenpunt een andere precisie moet worden toegekend dan aan een landelijke gemiddelde trend.
Het RIVM legt bovendien uit waarom trends robuuster zijn dan absolute waarden. Een deel van de onzekerheden is systematisch en werkt in opeenvolgende jaren ongeveer dezelfde kant op. Bij het vergelijken van jaren valt een deel daarvan daarom weg. Ook toevallige fluctuaties, bijvoorbeeld door meteorologie, worden over langere perioden uitgemiddeld. Daardoor kan een langjarige ontwikkeling nauwkeuriger worden vastgesteld dan het absolute depositieniveau in één specifiek jaar.
Ook ruimtelijk werkt middeling in het voordeel van de betrouwbaarheid. Een gemiddelde over een habitat bevat meerdere rekenpunten en is daardoor minder onzeker dan één individueel punt. Het rapport waarschuwt expliciet dat bij gebruik van de onderliggende kaarten op detailniveau de onzekerheid een belangrijk aandachtspunt is.
Meten, modelleren en kalibreren
Stikstofdepositie wordt niet overal rechtstreeks gemeten. Het RIVM combineert daarom emissiegegevens, OPS-modelberekeningen en metingen.
Voor ammoniak zijn er ruim driehonderd concentratiemeetpunten. Natte depositie wordt op tien locaties gemeten en droge depositie op zes locaties. Juist die laatste grootheid is ingewikkeld rechtstreeks te meten. Het RIVM schrijft daarom dat de beschikbare metingen van droge ammoniakdepositie niet geschikt zijn om de landelijke modelberekeningen mee te kalibreren. Ze worden wel gebruikt voor onderzoek naar depositieprocessen en voor verbetering van de modellen.
Voor de droge depositie van ammoniak wordt daarom een indirectere route gebruikt. De berekende ammoniakconcentraties worden vergeleken met concentratiemetingen uit MAN en LML. Verschillen tussen model en meting worden ruimtelijk geïnterpoleerd. Die correctie van de concentratie werkt vervolgens door in de berekende droge depositie.
Interessant is dat deze kalibratie – het zijn eigenlijk matsfactoren – regionaal behoorlijk kan verschillen. Voor de gemiddelde omstandigheden over 2020-2024 bedraagt de mediane correctiefactor voor NH₃-concentratie en droge NHx-depositie 0,92, maar lokaal loopt deze volgens de tabel uiteen van 0,62 tot 2,90. Het model wordt dus niet simpelweg overal met dezelfde factor gecorrigeerd.



Hoe hard is 31 procent?
De wettelijke stikstofdoelen zijn gekoppeld aan het oppervlak stikstofgevoelige Natura 2000-natuur waar de depositie onder de KDW ligt. Voor 2024 berekent het RIVM een centrale waarde van ongeveer 31 procent. Maar hoofdstuk 7 laat zien hoe gevoelig zo’n absoluut percentage is voor onzekerheid in de depositieberekening. Wanneer de landelijke onzekerheidsmarge van ongeveer ±30 procent wordt doorgerekend naar de KDW-indicator, ontstaat voor 2024 een bandbreedte van ongeveer 25 tot 47 procent van het oppervlak onder de KDW.
Dat vraagt om zorgvuldige interpretatie. Het RIVM gebruikt die bandbreedte niet om te stellen dat het wettelijke doel van 40 procent voor 2025 daarmee gehaald zou zijn. De wettelijke toetsing gebeurt volgens de voorgeschreven methodiek met de berekende depositiewaarden en vastgestelde KDW’s. Maar wetenschappelijk laat de analyse wel zien dat een absoluut percentage ‘onder KDW’ gevoelig is voor onzekerheid in de onderliggende depositieberekening. En precies daarom is het RIVM in de discussie kritisch op het gebruik van één indicator.
KDW is een risicogrens, geen natuurmeting
De KDW wordt in het rapport omschreven als de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van een habitat significant wordt aangetast door verzurende of vermestende atmosferische stikstofdepositie. Dat is iets anders dan rechtstreeks meten of een natuurgebied daadwerkelijk in goede of slechte toestand verkeert. Het RIVM formuleert dat in de discussie expliciet. Het halen van stikstofdoelen betekent volgens het instituut niet automatisch dat een gunstige staat van instandhouding is bereikt. Omgekeerd betekent een overschrijding van de KDW niet automatisch dat natuur altijd verslechtert. Stikstof is één van verschillende drukfactoren.
Andere factoren zijn onder meer verdroging, waterkwaliteit, versnippering en de omvang en kwaliteit van leefgebieden. Ook die worden eerder in het rapport genoemd als relevante oorzaken van natuurkwaliteit.
Daarmee relativeert het RIVM de betekenis van stikstof niet. Het instituut beschouwt stikstofdepositie nadrukkelijk als een belangrijke drukfactor. Wel maakt het onderscheid tussen een indicator voor stikstofdruk en de uiteindelijke ecologische toestand van een habitat.
De doelen blijven ver buiten beeld
Ondanks de dalende depositie blijft de afstand tot de huidige wettelijke doelen volgens de gebruikte prognoses groot. Voor 2030 schrijft de Omgevingswet voor dat 50 procent van het stikstofgevoelige oppervlak onder de KDW moet liggen. De prognose komt uit op 32 tot 34 procent. Voor 2035 bedraagt het wettelijke doel 74 procent, terwijl de prognose tussen 33 en 39 procent ligt. Binnen de gehanteerde berekeningswijze is de kans op het halen van deze doelen volgens het RIVM kleiner dan 5 procent.
Daarbij hoort een belangrijke beperking. Dit zijn geen nieuwe prognoses uit 2026. Er waren voor deze monitor geen nieuwe emissieramingen beschikbaar. Het RIVM gebruikt daarom opnieuw de prognoses uit de vorige rapportage, gebaseerd op beleid dat op 1 mei 2024 voldoende concreet was uitgewerkt. Later aangekondigde maatregelen zijn daarin niet verwerkt. De monitor van 2026 geeft dus vooral nieuwe informatie over wat er daadwerkelijk tot en met 2024 is gebeurd. Voor de toekomst kijkt hij grotendeels door de bril van een oudere beleidsraming.
Misschien is de trend belangrijker dan het exacte getal
Daarmee ontstaat uit 123 pagina’s een genuanceerder verhaal dan alleen: de KDW wordt nog steeds overschreden. De stikstofemissies zijn sinds 2005 aanzienlijk gedaald. De gemiddelde depositie is met ongeveer 29 procent afgenomen en de gemiddelde KDW-overschrijding met ongeveer 53 procent. Tegelijkertijd blijft volgens de centrale berekeningen ongeveer 69 procent van het stikstofgevoelige Natura 2000-areaal boven de KDW. Beide observaties kunnen tegelijkertijd waar zijn.
Maar het rapport laat eveneens zien dat niet ieder stikstofgetal dezelfde hardheid heeft. Een langjarige landelijke trend is iets anders dan een absolute depositiewaarde op één hectare. Een berekende KDW-overschrijding is iets anders dan een gemeten ecologische verslechtering. En een emissie is iets anders dan een concentratie of depositie.
Misschien staat daarom de belangrijkste methodologische conclusie bijna aan het einde van het rapport. Het RIVM noemt het oppervlak onder de KDW gevoelig voor veranderingen in modellen en gegevens. Trends in emissies, depositie en de mate van KDW-overschrijding zijn volgens het instituut stabieler en geven een beter zicht op de effecten van beleidsinterventies.
Dat pleit niet voor het negeren van de KDW. Het pleit vooral voor voorzichtigheid met één absoluut getal als samenvatting van een buitengewoon complex systeem. Wie wil weten of de stikstofdruk op de Nederlandse natuur afneemt, moet daarom naar meerdere grootheden tegelijk kijken: naar emissies, concentraties, depositie, de ontwikkeling van de overschrijding én uiteindelijk naar wat er daadwerkelijk met de natuur gebeurt. Juist op dat punt is de Monitor stikstofdepositie 2026 interessanter dan zijn hoofdconclusie.