Een recent artikel in Binnenlands Bestuur constateert dat het stikstofbeleid onder een nieuw kabinet ‘niet zo anders’ zal zijn. De analyse is correct – in het regeerakkoord staan inderdaad veel punten die ook onder de BBB-minister Femke Wiersma al in gang zijn gezet -, maar de impliciete conclusie dat dit geruststellend is, is een gevaarlijke misvatting. Juist het feit dat de koers ongewijzigd blijft, is de kern van het probleem. Nederland houdt vast aan een beleid dat ecologisch ongericht, juridisch onhoudbaar en financieel onverantwoord is. Wat als stabiliteit wordt gepresenteerd, is in werkelijkheid bestuurlijke stilstand die het land economisch, juridisch en ecologisch duur komt te staan.
De continuïteit die Binnenlands Bestuur beschrijft – het vasthouden aan het schrappen van de Kritische Depositie Waarde (KDW) doelstellingen voor 2030 en 2035 uit de wet, het invoeren van een rekenkundige ondergrens (al gaat dat niet praktische en snel genoeg!), en het doorzetten van opkoopregelingen (inmiddels weten wat dit te duur en niet effectief is) – maskeert een fundamenteel onvermogen om de vier grootste weeffouten in het stikstofdossier te adresseren. Deze pijnpunten houden de crisis in stand en blokkeren elke realistische uitweg.
De VHR vraagt natuurbeheer, geen eenzijdige stikstoffixatie
De grootste zorg is de aanhoudende tunnelvisie. Het beleid blijft stikstof behandelen als de allesverklarende oorzaak en de enige oplossingsknop. Dit is in strijd met de essentie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). De VHR is geen stikstofrichtlijn; het is een natuurbeheer-richtlijn die vraagt om een ‘gunstige staat van instandhouding’ van habitats en soorten. Dit vereist een integrale, gebiedsgerichte aanpak waarbij wordt gekeken naar alle relevante factoren: waterhuishouding, bodemkwaliteit, verzuring, verdroging en beheer.
Het Nederlandse beleid negeert deze complexiteit en heeft zich versmald tot een boekhoudkundige exercitie. Emissies worden gereduceerd omdat het rekenmodel AERIUS dat voorschrijft, niet omdat er een duidelijk, ecologisch onderbouwd plan is voor natuurherstel door natuurbeheer. Zolang we natuurbeleid blijven reduceren tot emissiebeleid, vervangen we vakmanschap door een spreadsheet. De schop moet de grond in, niet de rekenmachine.
De ongeschiktheid van AERIUS en KDW: beleid op drijfzand
De tweede grote zorg is dat de beleidsinstrumenten zelf ongeschikt zijn voor het doel waarvoor ze worden ingezet. Het hele bouwwerk rust op twee pijlers die wetenschappelijk en juridisch wankelen: het rekenmodel AERIUS en de Kritische DepositieWaarden (KDW) per gebied.
- AERIUS is een model, een benadering van de werkelijkheid, geen exacte wetenschap. Het is ontworpen voor beleidsverkenning op macroniveau, niet om op de vierkante meter juridisch bindende uitspraken te doen over de ecologische impact van een individueel bedrijf. Toch worden vergunningen geweigerd, bedrijven stilgelegd en miljardenprogramma’s opgetuigd op basis van modeluitkomsten die een schijnprecisie suggereren die ze niet bezitten.
- De Kritische DepositieWaarde (KDW) is evenmin een harde, juridische grens. Het is een indicator(range) voor het risico op verslechtering op de lange termijn. De KDW zegt niets over de actuele, gemeten brede en dus ecologische staat van de natuur in een gebied. In de praktijk zien we natuur die verslechtert bij lage deposities en verbetert bij hogere. Het blindstaren op de KDW als juridisch afkappunt heeft geleid tot een systeem dat zijn eigen papieren werkelijkheid creëert, losgezongen van de ecologische realiteit.
De emissiereductiedoelen die uit deze modellen rollen – zoals de 42-46% reductie in 2035 die het RIVM zelf al als onvoldoende bestempelde om de wettelijke doelen te halen – zijn het resultaat van deze modelmatige fictie. Ze garanderen geen natuurherstel, maar wel een enorme economische en sociale ontwrichting. En daarmee voldoet dit ook niet aan VHR uit Brussel, in deze richtlijn staat immers ook “in samenhang met lokale sociale en economische afwegingen”.
Miljardenfondsen zonder plan: de duurste weg vooruit
Het artikel in Binnenlands Bestuur wijst op de herinvoering van een transitiefonds van circa 20 miljard euro. Dit brengt ons bij de derde zorg: de enorme kapitaalvernietiging. Er worden miljarden gereserveerd zonder dat er concrete, toetsbare en ecologisch effectieve gebiedsplannen aan ten grondslag liggen. Dit is de wereld op zijn kop: eerst het geld, dan pas het plan.
Deze aanpak is niet alleen onlogisch, maar ook extreem kostbaar. Stikstofinfo.net heeft eerder een alternatieve strategie uiteengezet die focust op daadwerkelijk natuurherstel door middel van hydrologische maatregelen, gericht beheer en monitoring van de werkelijke natuurkwaliteit. De kosten van een dergelijk plan worden geraamd op 8 tot 10 miljard euro – minder dan de helft van de huidige fondsen. Voor dat bedrag wordt niet alleen ingezet op stikstofreductie in de directe omgeving van de natuurgebieden, maar is ook duidelijk wat de kosten bij de boeren zijn. Het huidige (nieuwe?) beleid is niet alleen ineffectief, het is ook onnodig duur bij generieke uitrol.
De olifant in de kamer: de vergunningenimpasse en de 1-mol-RKO-grens
Ten slotte blijft de grootste olifant in de kamer onbenoemd: de totale verlamming van de vergunningverlening. Nederland zit juridisch op slot. Woningbouw, de energietransitie, en innovatie in de landbouw zelf lopen vast op modelberekeningen van tienden of zelfs honderdsten van mollen stikstof. Dit is het onvermijdelijke gevolg van een systeem zonder enige ondergrens, waarin elke berekende minieme toename juridisch fataal is. Hiervoor is overigens al meerdere keren vooraf gewaarschuwd.
De enige realistische en pragmatische uitweg uit deze impasse op korte termijn is de onmiddellijke invoering van een rekenkundige ondergrens (RKO) van 1 mol per hectare per jaar. Een dergelijke grens is wetenschappelijk zeer goed verdedigbaar, omdat deposities onder deze waarde binnen de onzekerheidsmarges van de modellen zelf vallen en ecologisch niet relevant zijn. Kort gezegd, deze zijn er niet.
Het is juridisch noodzakelijk om de proportionaliteit in het recht te herstellen. Rekenen aan iets dat er niet is, vanwege inzet van een model dat buiten het toepassinggebied wordt gebruikt en waarbij ook nog eens elementaire natuur- en wiskunde regels worden genegeerd is waanzin.
En het is bestuurlijk ook heel goed verdedigbaar en tevens uitvoerbaar, zoals Duitsland al jaren laat zien die zelfs een echter drempelwaarde hanteert van 21 mol (en 3% van de KDW) dat de invoering van een (gebiedsgerichte) drempelwaarde verantwoord is. Het weigeren van een dergelijke ondergrens is een politieke keuze die het land moedwillig in een juridische wurggreep houdt. Bestuurlijke lafheid – nette geformuleerd gebrek aan bestuurlijk moed – is vooral aanwezig om te doen wat rationeel en logisch is.
Conclusie: het roer moet om
Dat het stikstofbeleid ‘niet zo anders’ wordt, is geen teken van stabiliteit, maar een bewijs van een gebrek aan moed en visie. Het is een keuze om door te gaan op een doodlopende weg. De oplossing ligt niet in het finetunen van de huidige, falende aanpak, maar in een radicale(re) koerswijziging.
Wat Nederland nodig heeft, is een beleid dat:
- Natuurbeheer centraal stelt, in plaats van stikstofboekhouden.
- Uitgaat van metingen en ecologische realiteit, in plaats van modelmatige fictie.
- Investeert in concrete, effectieve gebiedsplannen, in plaats van bodemloze fondsen.
- De juridische impasse doorbreekt met een realistische rekenkundige ondergrens (en drempelwaarde per gebied) per direct in te voeren.
Pas dan wordt het beleid niet alleen ‘anders’, maar eindelijk ook beter. Het is tijd om de ideologische loopgraven te verlaten en te kiezen voor een pragmatische aanpak die werkt voor de natuur, de boer én de samenleving.

Plaats een reactie