Boer rekent kabinetsplannen door: miljoeneninvesteringen voor minder dan een halve mol depositie

De discussie over het nieuwe stikstofbeleid wordt vaak gevoerd in abstracte termen: emissieplafonds, fosfaatrechten, bufferzones en natuurdoelen. Maar wat betekenen die plannen nu eigenlijk op het erf van een individuele melkveehouder? Een openhartige bijdrage van een melkveehouder laat zien hoe groot de afstand kan zijn tussen beleid en praktijk.

Zijn verhaal is niet alleen een persoonlijke noodkreet. Het raakt aan een fundamentele vraag: wanneer wordt beleid nog als proportioneel ervaren?

De melkveehouder richt zich in zijn bijdrage ook tot LTO Nederland. Volgens hem bestaat er binnen de sector brede overeenstemming over een aantal fundamentele problemen in het huidige stikstofbeleid. Hij noemt onder meer de kwaliteit van veel natuurdoelanalyses (NDA’s), de beperkingen van AERIUS voor vergunningverlening, het beperkte nut van generieke emissiereductie en de twijfel of een individueel veehouderijbedrijf op kilometers afstand nog een ecologisch significant effect kan veroorzaken.

Toch ziet hij dat LTO ervoor kiest om mee te onderhandelen over aanpassingen van het kabinetsbeleid, in plaats van de gekozen koers principieel af te wijzen. Volgens hem ontstaat daardoor het beeld dat de sector zich uiteindelijk kan vinden in de hoofdlijnen van het beleid, terwijl veel boeren juist vinden dat de uitgangspunten zelf niet deugen.

De boer beschrijft zijn eigen twijfel eerlijk. Enerzijds begrijpt hij dat de politieke meerderheid een bepaalde richting heeft gekozen en dat ondernemers uiteindelijk met de regels zullen moeten leven. Anderzijds voelt het voor hem alsof hij iets zou moeten accepteren waarvan hij overtuigd is dat het inhoudelijk onjuist is.

“Accepteer het nou maar”, krijgt hij regelmatig te horen.

Maar juist dat vindt hij moeilijk. Hij schrijft dat hij zich dan bijna een “collaborateur” voelt: iemand die meewerkt aan beleid waarvan hij denkt dat het geen reëel natuurresultaat oplevert.

Vervolgens maakt hij de discussie concreet met een rekensom voor zijn eigen bedrijf. Zijn bedrijf ligt ongeveer twintig kilometer van de meest stikstofgevoelige habitat. Op basis van de voorgestelde normen zou hij zijn ammoniakemissie fors moeten terugbrengen.

Hij zet de mogelijke maatregelen op een rij.

Een Lely Sphere-installatie zou hem ongeveer €600.000 kosten, zonder een duidelijke economische terugverdienmogelijkheid.

Een koetoilet vraagt eveneens een investering van ongeveer €600.000.

Vergisting gecombineerd met stikstofstrippen loopt volgens zijn berekening op tot ongeveer €1,2 miljoen. Hoewel daarmee kunstmestvervangers kunnen worden geproduceerd, levert dat volgens hem onvoldoende financiële compensatie op en ontbreekt bovendien een passende RAV-erkenning.

Andere maatregelen zijn volgens hem al grotendeels benut. Extra weidegang is op zijn bedrijf geen reële optie. Water toevoegen aan mest gebeurt al. Ook voert hij al een laag ruw eiwitgehalte van ongeveer 160 gram per kilogram droge stof, met een gemiddelde ureumwaarde van 18. Verdere managementmaatregelen leveren volgens hem nog maar beperkte winst op, en worden juridisch niet eens meegenomen.

Daarmee blijven volgens zijn berekening nog twee ingrijpende keuzes over.

Meer fosfaatrechten aankopen om de emissie per fosfaatrecht te verlagen zou hem bijna €1,9 miljoen kosten.

Of hij moet een aanzienlijk deel van zijn veestapel afbouwen. Dat zou volgens zijn eigen berekening ongeveer 1,5 miljoen kilogram melkproductie en ongeveer €700.000 omzet kosten.

Daar tegenover staat volgens de berekening van AERIUS een depositiereductie van minder dan 0,5 mol stikstof per hectare per jaar op het betrokken Natura 2000-gebied.

Zijn conclusie is scherp geformuleerd.

“En wat wint de natuur hierbij? Volgens AERIUS nog geen 0,5 mol. Dus een half ganzenpoepje.”

Die laatste vergelijking is uiteraard beeldspraak, maar maakt wel duidelijk waar volgens deze ondernemer de kern van het probleem zit: de verhouding tussen kosten en ecologisch effect.

Juist die proportionaliteit zal de komende jaren waarschijnlijk steeds centraler komen te staan in het stikstofdebat. Niet alleen economisch, maar ook juridisch. Als bedrijven investeringen van vele tonnen of zelfs miljoenen euro’s moeten doen voor een volgens de modellen nauwelijks meetbaar effect op de natuur, zal onvermijdelijk de vraag worden gesteld of zulke maatregelen noodzakelijk, doelmatig en evenredig zijn.

Het verhaal van deze melkveehouder staat niet op zichzelf. Op veel regiobijeenkomsten van LTO, in studiegroepen en op sociale media klinken vergelijkbare zorgen. De vraag is daarom niet alleen hoe emissies kunnen worden verminderd, maar ook hoe een geloofwaardige relatie wordt gelegd tussen de gevraagde maatregelen en daadwerkelijk aantoonbaar natuurherstel.

Want uiteindelijk zal draagvlak niet ontstaan door steeds hogere investeringen te vragen, maar door overtuigend te laten zien dat die investeringen ook daadwerkelijk bijdragen aan een betere natuur. Dat is misschien wel de grootste uitdaging van het huidige stikstofbeleid.

Plaats een reactie

Eén reactie

  1. kingdelectablyd034116fda Avatar
    kingdelectablyd034116fda

    In de basis is dit beleid niet te rechtvaardigen.

    Het is eigenlijk puur onrecht en ook nog vanuit economisch oogpunt oerdom.

    Het gaat ons als land een stuk welvaart kosten.

    Geliked door 1 persoon