Het interview van directeur Boudewijn Revis van Staatsbosbeheer in het Financieele Dagblad is opvallend. Niet omdat hij iets fundamenteel nieuws zegt, maar omdat de grootste natuurbeheerder van Nederland eindelijk publiekelijk laat weten dat zij een grotere rol wil spelen in het stikstofdebat.
“Wij zijn te lang te stil geweest”, zegt Revis. Die uitspraak verdient waardering. Want eerlijk is eerlijk: als er één organisatie is die dagelijks in de Nederlandse natuurgebieden rondloopt, dan is het Staatsbosbeheer wel. Boswachters zien wat er gebeurt met heidevelden, bossen, hoogvenen en beekdalen. Zij beschikken over een schat aan praktijkkennis die in het politieke debat vaak onderbelicht is gebleven.
Tegelijkertijd roept de uitspraak ook een andere vraag op.
Waarom komt deze boodschap pas nu?
In enkele overleggen is Staatsbosbeheer ‘aangehaakt’, maar de kennis van boswachters wordt in de ogen van de natuurbeheerder nog te weinig benut. En dat is zonde, vindt Revis. Beleidsmakers laten zich graag voorlichten door instanties als het Planbureau voor de Leefomgeving en de Ecologische Autoriteit, ziet Revis. ‘Maar wat moeten we nu echt doen? Dat kan een uitvoeringsorganisatie (zoals Staatsbosbeheer, red.) heel goed vertellen.’
De ontbrekende speler
Sinds de uitspraak van de Raad van State in 2019 heeft Nederland miljarden euro’s uitgegeven aan stikstofbeleid. Boeren werden uitgekocht. Vergunningen kwamen stil te liggen. Complete sectoren werden geconfronteerd met onzekerheid.
In diezelfde periode verschenen honderden rapporten over stikstofdepositie, kritische depositiewaarden, emissies en vergunningverlening. Maar één vraag bleef opvallend vaak onbeantwoord:
Wat moet er in een specifiek natuurgebied concreet gebeuren om de natuurkwaliteit daadwerkelijk te verbeteren?
Juist daar had Staatsbosbeheer een veel grotere rol kunnen spelen. Het beheer van natuurgebieden bestaat immers uit veel meer dan alleen het reduceren van stikstofemissies. Veel habitats kampen met verdroging. Andere gebieden hebben te maken met verzuring. Weer andere gebieden zijn verruigd door achterstallig beheer of veranderde hydrologie.
Het is opvallend dat het publieke debat de afgelopen jaren vrijwel volledig werd gedomineerd door stikstofmodellen, terwijl de uitvoerende terreinbeheerders relatief weinig zichtbaar waren.
Verzuurde bodem? Dan moet je kalk strooien
In het FD-interview wijst Revis terecht op het probleem van verzuring. Daar heeft hij een belangrijk punt. Maar vervolgens komt direct de vervolgvraag: wat doe je daaraan? De wetenschappelijke literatuur geeft daarop vaak een verrassend praktisch antwoord.
Bij verzuring van heide- en bosbodems kan bekalking een effectieve maatregel zijn om de zuurbuffering te herstellen. Onderzoekers zoals Wim de Vries en Gerard Ros hebben daar uitgebreid over gepubliceerd. Ook veldonderzoek van Arnold van den Burg op onder meer de Ginkelse Heide laat zien dat herstelmaatregelen zoals steenmeel en bekalking in bepaalde situaties een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan natuurherstel.
Dat betekent niet dat stikstof geen enkele rol speelt. Het betekent wel dat natuurherstel vaak begint met natuurbeheer. Een verzuurde bodem wordt niet minder zuur omdat ergens tientallen kilometers verderop een veehouder stopt. Een verzuurde bodem wordt minder zuur doordat gericht herstelbeheer wordt uitgevoerd. Juist daar ligt een primaire verantwoordelijkheid van de terreinbeheerder.
Maak beheerplannen weer leidend
De meest interessante passage uit het interview is misschien wel waar Revis pleit voor detailkennis per perceel. Daar heeft hij volledig gelijk in. Maar als we die gedachte consequent doortrekken, dan betekent dat ook dat natuurbeheerplannen en Natura 2000-beheerplannen weer centraal moeten komen te staan. Niet abstracte landelijke stikstofdoelen met kaartjes, maar concrete gebiedsplannen. Voor elk Natura 2000-gebied zou een beheerder moeten kunnen aangeven:
- Welke natuurdoelen worden niet gehaald?
- Wat zijn de belangrijkste oorzaken?
- Welke herstelmaatregelen zijn nodig?
- Welke hydrologische maatregelen zijn noodzakelijk?
- Welke beheermaatregelen moeten worden uitgevoerd?
- En pas daarna: welke bijdrage wordt gevraagd van omliggende landbouwbedrijven?
Eigenlijk ontbreekt in veel huidige beheerplannen een hoofdstuk met de titel:
“Wat moeten onze buren doen om ons te helpen?”
Dat klinkt misschien wat direct, maar het maakt wel helder waar het debat uiteindelijk over zou moeten gaan. Niet over modeluitkomsten op hexagoon-niveau. Maar over concrete maatregelen in concrete gebieden.
De verkeerde volgorde
In veel Natura 2000-discussies lijkt de volgorde omgekeerd. Eerst wordt vastgesteld hoeveel stikstof moet verdwijnen. Vervolgens wordt gezocht naar bedrijven die moeten reduceren. Pas daarna wordt gekeken welke natuurproblemen daadwerkelijk bestaan. Dat is een merkwaardige volgorde. Normaal gesproken begint natuurbeheer met een diagnose van het gebied. Is er sprake van verdroging? Is er sprake van verzuring? Zijn er exoten? Is het beheer onvoldoende? Zijn er hydrologische problemen? Zijn de natuurdoelen überhaupt realistisch gegeven de huidige omstandigheden? Pas als die analyse compleet is, kun je bepalen welke externe factoren aangepakt moeten worden. Dat is precies de kennis die Staatsbosbeheer zegt te bezitten. Dan is het logisch dat die kennis ook leidend wordt.
De grootste terreinbeheerder en een van de grootste grondbezitters van Nederland is verantwoordelijk voor 128 van de 162 beschermde natuurgebieden, maar zit toch weinig aan tafel bij de ontwikkeling van de stikstofplannen van het kabinet. ‘Dat reken ik mezelf aan’, zegt Revis.
Van stikstofbeleid naar natuurbeleid
De Nederlandse stikstofdiscussie heeft de afgelopen jaren vaak de indruk gewekt dat natuurherstel gelijkstaat aan emissiereductie. Dat is een versimpeling. Natuurherstel vraagt om natuurbeleid. Dat betekent:
- herstel van hydrologie;
- herstel van bodemchemie;
- actief beheer;
- begrazing;
- maaibeheer;
- plaggen waar nodig;
- bekalking waar nodig;
- verwijderen van opslag;
- en waar relevant het beperken van externe belasting.
Stikstofreductie kan daarbij een ondersteunende maatregel zijn. Maar natuurherstel is breder dan stikstofreductie alleen. Juist terreinbeheerders zouden die boodschap veel nadrukkelijker moeten uitdragen.
Een uitnodiging aan Staatsbosbeheer
Daarom is de boodschap van Revis uiteindelijk vooral positief. Het is goed dat Staatsbosbeheer zich nadrukkelijker wil mengen in het debat. Het is goed dat uitvoerende kennis meer aandacht krijgt. Het is goed dat boswachters en terreinbeheerders hun praktijkervaring delen. Maar als Staatsbosbeheer werkelijk een grotere rol wil spelen, dan hoort daar ook een duidelijke verantwoordelijkheid bij.
Niet alleen aangeven wat boeren moeten doen in de directe omgeving. Ook aangeven wat Staatsbosbeheer zelf gaat doen in de praktijk. Welke gebieden vragen hydrologisch herstel? Waar is bekalking nodig? Waar zijn beheermaatregelen achterstallig? Waar zijn natuurdoelen mogelijk niet haalbaar zonder ingrijpende aanpassingen? En welke maatregelen hebben de hoogste prioriteit? Nederland heeft geen gebrek aan stikstofplannen, maar het gaat vooral om beheer.
Nederland heeft vooral behoefte aan goede natuurbeheerplannen. Misschien is dat wel de belangrijkste bijdrage die Staatsbosbeheer de komende jaren kan leveren. En eerlijk gezegd: die bijdrage hadden we tien jaar geleden ook al goed kunnen gebruiken. Aan de bak!

Plaats een reactie