Het stikstofdossier bevindt zich opnieuw in een fase van speculaties, lekken, ontkenningen en politieke verwachtingen. Begin deze week vond overleg plaats in het Catshuis. Kort daarna verschenen verschillende berichten in de media over mogelijke maatregelen die het kabinet zou voorbereiden.
Landbouwminister Jaimi van Essen reageerde stevig op de berichtgeving en noemde de uitgelekte plannen zelfs “een bult onzin”. Volgens de minister klopt veel van wat gepubliceerd is niet en is er nog volop discussie binnen het kabinet. Hij wil uiteindelijk beoordeeld worden op het definitieve pakket dat naar verwachting op 26 juni wordt gepresenteerd.
Dat klinkt redelijk. Tegelijkertijd is het ook iets te gemakkelijk. De afgelopen weken zien we namelijk een opmerkelijk consistente lijn in de geruchten die naar buiten komt. Verschillende media melden telkens varianten van dezelfde maatregelen. Dat betekent niet dat deze maatregelen daadwerkelijk in het uiteindelijke pakket terechtkomen, maar wel dat ze blijkbaar serieus worden besproken.
De contouren van de geruchten
De eerste categorie betreft zones rondom Natura 2000-gebieden. In verschillende berichten wordt gesproken over afstanden van één tot zelfs twee kilometer rond natuurgebieden waar aanvullende maatregelen zouden moeten gelden.
Vanuit wetenschappelijk en praktisch perspectief roept dat vragen op. Juist de afgelopen jaren is steeds duidelijker geworden dat ammoniakdepositie sterk lokaal van karakter is. De meeste invloed van een individuele bron vindt plaats binnen enkele honderden meters van de uitstootlocatie. Het hanteren van generieke zones van één of twee kilometer rondom alle Natura 2000-gebieden lijkt daarom moeilijk te verdedigen vanuit kosteneffectiviteit en doelmatigheid. Het risico bestaat dat grote aantallen bedrijven worden geraakt terwijl het effect op de natuur beperkt blijft.
Een tweede terugkerend onderwerp zijn hectare- of veebezettingsnormen voor de melkveehouderij. Ook hier rijst de vraag welk probleem precies wordt opgelost. Een norm in dieren per hectare zegt immers weinig over de daadwerkelijke ammoniakemissie. Twee bedrijven met exact dezelfde veebezetting kunnen door verschillen in staltype, voer, mestmanagement en beweiding sterk verschillende emissies hebben.
Daarnaast circuleren voorstellen om emissies te koppelen aan fosfaatrechten, vergelijkbaar met eerdere ideeën uit Drenthe. Ook dit lijkt eerder een bestuurlijke dan een milieukundige maatregel. Fosfaat en ammoniak zijn immers verschillende grootheden met verschillende beleidsdoelen.
Verder wordt gesproken over uitbreiding van het systeem van dierrechten en mogelijk zelfs maxima voor het aantal dieren per provincie. Op zichzelf zijn dit instrumenten die bestuurlijk uitvoerbaar kunnen zijn, maar de vraag blijft of zij bijdragen aan het oplossen van de juridische blokkades die Nederland momenteel ervaart.
Een ander gerucht betreft een mogelijke “stok achter de deur”, waarbij provincies die onvoldoende voortgang boeken geconfronteerd worden met verplichte krimp van de veestapel. Inmiddels lijken verschillende bronnen dit te ontkennen, maar ook hier geldt dat onduidelijk blijft welke voorstellen daadwerkelijk op tafel liggen.
Ten slotte wordt gesproken over een rekenkundige ondergrens (RKO) van 0,5 mol, maar met een ingangsdatum in 2027 of zelfs 2030. Dat zou opmerkelijk zijn. Juist de vergunningverlening zit vandaag op slot. Een maatregel die pas over meerdere jaren effect krijgt, biedt geen oplossing voor de huidige bestuurlijke impasse.
Het echte probleem ligt elders
De discussie over zones, hectare-normen en dierrechten dreigt af te leiden van de kern van het probleem.
De stikstofcrisis is inmiddels veel meer een juridische en bestuurlijke crisis geworden dan een emissiecrisis. Nederland beschikt al jaren over uitgebreide emissieprogramma’s, innovatiesubsidies en uitkoopregelingen. Toch blijft vergunningverlening vastlopen.
Dat komt vooral doordat enkele fundamentele juridische vraagstukken nog steeds niet zijn opgelost.
Het eerste vraagstuk is additionaliteit. Hoe moet worden aangetoond dat natuurmaatregelen daadwerkelijk aanvullend zijn en niet toch al verplicht waren? Zowel juristen als bestuurders worstelen hiermee. Zolang hierover geen werkbare oplossing bestaat, blijft vergunningverlening kwetsbaar.
Het tweede vraagstuk betreft de PAS-melders en interimmers. Duizenden ondernemers verkeren al jarenlang in onzekerheid. Iedere nieuwe stikstofbrief die hierover geen duidelijkheid biedt, schuift het probleem simpelweg verder vooruit.
Het derde vraagstuk betreft de relatie tussen natuurherstel en vergunningverlening. De afgelopen jaren zijn deze twee onderwerpen steeds meer met elkaar verstrengeld geraakt. Daardoor zijn individuele ondernemers verantwoordelijk geworden voor problemen die grotendeels voortkomen uit decennialange beheerachterstanden en beleidskeuzes.
Juist daar zou het kabinet een duidelijke koers moeten kiezen.
Natuurherstel verdient een eigen spoor
Een serieuze stikstofbrief zou daarom niet alleen moeten gaan over emissies, maar vooral over natuur.
Wanneer zijn de beheerplannen klaar?
Welke herstelmaatregelen worden uitgevoerd?
Welke natuurdoelen zijn realistisch?
Welke budgetten zijn daarvoor beschikbaar?
En hoe wordt gemonitord of die maatregelen daadwerkelijk effect hebben?
Deze vragen zijn minstens zo belangrijk als discussies over emissieplafonds of zoneringen.
Daarbij hoort ook een eerlijke discussie over geld. De afgelopen jaren zijn bedragen van tientallen miljarden euro’s genoemd. De vraag is of zulke bedragen werkelijk nodig zijn. Nog belangrijker is de vraag of Nederland die middelen überhaupt beschikbaar heeft in een periode waarin ook defensie, woningbouw, infrastructuur en energievoorziening grote investeringen vragen.
Ammoniak en NOx niet langer op één hoop
Een ander belangrijk onderdeel van toekomstig beleid is een heldere scheiding tussen ammoniak en stikstofoxiden.
Beide stoffen hebben verschillende bronnen, verschillende verspreidingspatronen en vragen deels verschillende beleidsmaatregelen. Het voortdurend samenvoegen van ammoniak en NOx in één generieke stikstofdiscussie leidt vaak tot verwarring.
Een sectorspecifieke benadering voor ammoniak kan nuttig zijn (maar is niet essentieel). Niet omdat dit per se noodzakelijk is, maar omdat het transparantie kan bieden over verantwoordelijkheden en resultaten.
Realisme boven politieke marketing
De kans dat er op 26 juni een volledig uitgewerkt en juridisch robuust totaalpakket ligt, lijkt beperkt.
Daarvoor zijn simpelweg te veel fundamentele vraagstukken nog onopgelost. Het risico bestaat dat opnieuw hoge verwachtingen worden gewekt die vervolgens niet kunnen worden waargemaakt.
Misschien zou een eerlijkere boodschap zijn dat er meer tijd nodig is. Niet zes jaar, maar bijvoorbeeld twee maanden extra om juridische, bestuurlijke en financiële vraagstukken zorgvuldig uit te werken.
Dat is wellicht minder spectaculair voor de communicatie, maar uiteindelijk geloofwaardiger.
Want Nederland heeft niet nog een nieuwe ronde van symbolische maatregelen nodig. Nederland heeft behoefte aan een uitvoerbaar plan dat vergunningverlening weer mogelijk maakt, natuurherstel organiseert, ondernemers perspectief biedt en juridisch standhoudt.
Dat is een veel grotere opgave dan het tekenen van nieuwe zones op een kaart.

Plaats een reactie