De discussie over stikstof richt zich vaak op emissiereductie, natuurdoelen en vergunningen. Veel minder aandacht is er voor een fundamentele economische vraag: wat gebeurt er met de kostprijs van melk wanneer een melkveehouder minder dieren gaat houden? Een recente modelstudie van Ronald Zom, Alwin Bijker en Anne Jansma van Van Hall Larenstein en Wageningen Livestock Research laat zien dat extensivering inderdaad leidt tot minder stikstofverliezen, maar tegelijkertijd de economische prestaties van een melkveebedrijf aanzienlijk verslechtert. Daarmee wordt een probleem zichtbaar dat in veel beleidsdiscussies onderbelicht blijft: de markt betaalt deze hogere kostprijs niet terug.
De onderzoekers simuleerden een melkveebedrijf met honderd melkkoeien dat onder agrarisch natuurbeheer steeds meer grasland later maait. Door het uitstellen van de eerste snede neemt de biodiversiteit toe, maar de kwaliteit van het gewonnen ruwvoer daalt. Het gras bevat minder energie en minder goed verteerbaar eiwit. Daardoor produceren koeien minder melk en moet de bedrijfsvoering worden aangepast.
Het model onderzocht vier scenario’s waarbij respectievelijk 0, 20, 30 en 40 procent van de eerste grassnede werd vervangen door later gemaaid gras. Naarmate het aandeel extensief beheerd gras toenam, daalde het aantal melkkoeien van honderd naar uiteindelijk 91 dieren. Ook de melkproductie per koe nam af. Het gevolg is een dubbele economische tegenvaller: minder dieren én minder productie per dier.
Vanuit milieuperspectief lijkt dat aantrekkelijk. De totale stikstofopname daalt, de TAN-excretie neemt af en de berekende ammoniakemissie vermindert met ongeveer zeven, negen en uiteindelijk twaalf procent ten opzichte van het uitgangspunt. De onderzoekers concluderen dat een reductie van ongeveer tien procent ammoniak haalbaar is wanneer dertig tot vijfendertig procent van het grasland onder vertraagd maaibeheer wordt gebracht.
Maar vervolgens komt de economische werkelijkheid om de hoek kijken.
De melkopbrengsten dalen namelijk aanzienlijk. In het basisscenario bedraagt de melkopbrengst ongeveer €416.000 per jaar. Bij het meest vergaande extensiveringsscenario resteert nog ongeveer €370.000. Dat is een omzetverlies van ruim tien procent. Tegelijkertijd dalen de voerkosten slechts beperkt. De vaste kosten van gebouwen, machines, grond, arbeid, financiering en onderhoud blijven immers grotendeels bestaan. Een stal wordt niet goedkoper omdat er negen koeien minder in staan. De trekker kost evenveel. De melkrobot vraagt hetzelfde onderhoud. Ook rente, aflossing en verzekeringen veranderen nauwelijks.
Juist daardoor stijgt de kostprijs per kilogram melk.
Dat mechanisme wordt in beleidsdiscussies vaak onderschat. Minder produceren betekent niet automatisch dat de kosten evenredig dalen. In veel gevallen gebeurt juist het tegenovergestelde. De vaste kosten worden verdeeld over minder liters melk, waardoor iedere geproduceerde liter duurder wordt.
Het onderzoek rekent ook uit wat de maatschappelijke prijs van deze emissiereductie bedraagt. De benodigde compensatie varieert van ongeveer €134 tot €225 per kilogram vermeden ammoniak-stikstof. De onderzoekers concluderen dan ook expliciet dat financiële compensatie noodzakelijk is wanneer de overheid dergelijke vormen van agrarisch natuurbeheer wil stimuleren.
Daarmee raakt het onderzoek aan een veel breder economisch vraagstuk.
De Nederlandse melkveehouder produceert immers voor een internationale markt. De melkprijs wordt niet bepaald door de individuele kostprijs van een boer, maar door vraag en aanbod op de wereldmarkt. Wanneer één Nederlandse ondernemer besluit twintig procent minder melk te produceren, ontstaat er geen hogere melkprijs. De ontbrekende liters worden eenvoudig elders geproduceerd: door een buurman, door een Duitse melkveehouder of door een producent in Ierland, Polen of Nieuw-Zeeland.

Dat betekent dat de individuele ondernemer wel de hogere kostprijs draagt, maar niet de hogere opbrengst ontvangt.
In economische termen ontbreekt de mogelijkheid om de kosten door te berekenen aan de afnemer.
Dat is wezenlijk anders dan bijvoorbeeld bij een nichemarkt voor biologische producten of streekproducten. Daar kan een consument bewust kiezen voor een duurder product. De bulkmarkt voor melk kent die ruimte nauwelijks. Zuivelverwerkers concurreren internationaal en kunnen structurele kostprijsverhogingen slechts zeer beperkt doorgeven aan supermarkten. Uiteindelijk blijft de rekening liggen bij de primaire producent.
Juist daarom ontstaat een spanningsveld tussen milieubeleid en economische duurzaamheid.
Van boeren wordt gevraagd minder dieren te houden, meer grond te beheren, later te maaien en de productie te verlagen. Tegelijkertijd verwacht de markt nog steeds goedkope melk. Die twee ontwikkelingen zijn moeilijk met elkaar te verenigen.
De studie van Zom en collega’s bevestigt dat beeld op bedrijfsniveau. Extensivering levert weliswaar een milieuwinst op, maar creëert tegelijkertijd een financieel gat dat zonder compensatie niet kan worden gedicht.
Dat heeft ook gevolgen voor toekomstige beleidskeuzes.
Wanneer overheden inzetten op structurele krimp van de veestapel, zal de kostprijs van de overblijvende bedrijven vrijwel altijd stijgen. De vaste kosten verdwijnen immers niet automatisch. Bovendien neemt vaak ook de efficiëntie van het productieproces af doordat minder hoogwaardige voeders beschikbaar zijn en productiecapaciteit onderbenut blijft.
Daarmee ontstaat een fundamentele beleidsvraag: wie betaalt uiteindelijk voor extensivering?
Als de markt de meerkosten niet vergoedt, blijven slechts twee mogelijkheden over. De eerste is structurele inkomenssteun vanuit de overheid, zoals de onderzoekers ook suggereren via financiële compensatie binnen agrarisch natuurbeheer. De tweede mogelijkheid is dat een deel van de bedrijven economisch niet langer levensvatbaar blijkt en stopt.
Beide opties zijn kostbaar. Subsidies vragen langdurige publieke financiering. Bedrijfsbeëindiging leidt tot kapitaalvernietiging, verlies van productiecapaciteit en sociale gevolgen voor ondernemers en plattelandsgemeenschappen.
Het onderzoek laat daarmee zien dat ammoniakreductie geen gratis maatregel is. Iedere kilogram emissiereductie kent een economische prijs. Die prijs verdwijnt niet doordat zij buiten beeld blijft in politieke discussies.
Dat betekent niet dat extensivering geen waarde heeft. Meer biodiversiteit, betere leefgebieden voor weidevogels en lagere emissies zijn maatschappelijke doelen die veel mensen belangrijk vinden. Maar wanneer de samenleving deze voordelen wenst, ligt het ook voor de hand dat de samenleving bereid is daarvoor te betalen.
De studie maakt duidelijk dat het simpelweg verminderen van het aantal dieren geen economisch neutrale maatregel is. Minder koeien betekent minder melk, een hogere kostprijs per liter en een lager bedrijfsinkomen. Zonder een hogere melkprijs of structurele compensatie ontstaat een verdienmodel dat steeds moeilijker sluit.
Dat is misschien wel de belangrijkste les uit dit onderzoek. De technische discussie over stikstofreductie is uiteindelijk ook een economische discussie. Extensivering kan emissies verminderen, maar verandert tegelijkertijd de kostenstructuur van een melkveebedrijf fundamenteel. Zolang de internationale markt die hogere kostprijs niet absorbeert, zullen de financiële gevolgen vrijwel volledig bij de boer terechtkomen.
Wie kiest voor minder productie, kiest daarmee niet alleen voor minder emissie, maar ook voor een duurder product dat in de huidige markt nauwelijks extra wordt beloond. Dat is een economische realiteit die in het stikstofdebat minstens zoveel aandacht verdient als de technische berekeningen van emissies en deposities.

Plaats een reactie