Sneller rekenen is niet hetzelfde als beter beleid is mijn reactie op Ton Brouwer. Natuur is veel meer dan stikstof!

De eerste doorrekening van de nieuwe kabinetsplannen door Ton Brouwer van Gispoint heeft de aandacht gekregen op NPO 1 bij Vroege Vogels. Zijn conclusie is optimistisch: met de voorgestelde maatregelen zou in 2035 zeventig tot tachtig procent van de stikstofgevoelige natuur onder de kritische depositiewaarde (KDW) kunnen komen. Daarmee lijkt het wettelijke doel van 74 procent binnen bereik. Opvallend is bovendien dat zijn Nviro-model deze berekeningen naar eigen zeggen ongeveer tienduizend keer sneller uitvoert dan AERIUS.

Dat is zonder twijfel een knappe technische prestatie. Sneller rekenen is altijd welkom. Maar snelheid is uiteindelijk niet de vraag waar Nederland mee worstelt. De veel belangrijkere vraag is of we nog steeds de juiste dingen aan het berekenen zijn.

En daar wringt het.

Het Nederlandse stikstofdebat wordt al jarenlang gedomineerd door één impliciete aanname: natuurproblemen zijn stikstofproblemen, en stikstofproblemen zijn depositieproblemen. Vervolgens wordt depositie vrijwel volledig vertaald naar de uitkomsten van OPS en AERIUS. Daarmee ontstaat een keten van aannames die zelden nog ter discussie wordt gesteld. Natuur wordt stikstof. Stikstof wordt depositie. Deposities worden modeluitkomsten. En modeluitkomsten worden beleid.

Juist die denklijn hebben wij in het WUR-rapport Van Verwarring naar Verbinding fundamenteel ter discussie gesteld (en vervolganalyse en appriciatie)

Niet omdat stikstof geen rol speelt. Natuurlijk speelt stikstof een rol. Maar natuurkwaliteit wordt vooral bepaald door een complex samenspel van hydrologie, waterkwaliteit, verdroging, verzuring, klimaat, beheer, recreatiedruk, invasieve soorten, bodemontwikkeling en pas daarna ook stikstof. Wie al deze factoren terugbrengt tot één modelvariabele, loopt het risico dat het model belangrijker wordt dan de werkelijkheid.

Dat zien we inmiddels al jaren gebeuren.

Het tweede fundamentele probleem is dat de discussie nog steeds draait om depositiemodellen die nooit zijn ontworpen voor de manier waarop Nederland ze tegenwoordig gebruikt op lokale schaal.

OPS en AERIUS zijn uitstekende instrumenten om op landelijke schaal (grove) trends zichtbaar te maken. Ze kunnen laten zien hoe emissies zich gemiddeld ontwikkelen en welke regio’s relatief meer of minder bijdragen aan stikstofdepositie. Daarvoor zijn ze ontwikkeld en daarvoor functioneren ze prima.

Maar vergunningverlening vindt niet plaats op nationale schaal.

Daar gaat het over één stal. Eén bedrijf. Eén natuurgebied. Soms zelfs één enkele mol depositie.

Juist daarvoor zijn deze modellen nooit bedoeld geweest en mogen ze dus niet voor worden gebruikt

De onzekerheden lopen op lokaal niveau immers sterk op. In verschillende onderzoeken zijn onzekerheden beschreven die kunnen oplopen richting honderd procent of zelfs meer. Dat is ook logisch. Atmosferische verspreiding is buitengewoon complex. Windsnelheden veranderen voortdurend. Turbulentie varieert per seconde. Vegetatie beïnvloedt de afvang. Neerslag verschilt lokaal enorm. En ook zijn er veel te weinig praktijk depositiemetingen gedaan om de modellen te valideren. Niemand kan dat op perceelsniveau exact modelleren. En de link tussen deze depositiesommen en de brede natuurkwaliteit is ecologisch ook niet te maken.

Dat is geen kritiek op de modelbouwers. Dat is simpelweg natuurkunde.

Juist daarom concludeerde ook de Commissie-Hordijk al in 2020 dat AERIUS doelongeschikt is voor vergunningverlening. Niet omdat het wetenschappelijk model slecht zou zijn, maar omdat de toepassing veel verder ging dan waarvoor het model ooit bedoeld was. Dat onderscheid wordt in het publieke debat nog steeds onvoldoende gemaakt.

Wanneer Ton Brouwer vervolgens een model ontwikkelt op basis van OPS dat dezelfde berekeningen veel sneller uitvoert, verandert dat niets aan deze fundamentele discussie.

Sneller rekenen aan dezelfde onzekerheid maakt de onzekerheid niet kleiner.

Een GPS die tien keer sneller een verkeerde positie berekent, blijft een verkeerde positie berekenen.

Daarmee wil ik nadrukkelijk niet zeggen dat het werk van Brouwer onbruikbaar is. Integendeel. Juist voor landelijke scenarioanalyses kan een snel model enorm waardevol zijn. Beleidsmakers kunnen verschillende beleidsvarianten sneller doorrekenen. Provincies kunnen alternatieven vergelijken. Scenario’s kunnen veel efficiënter worden verkend.

Dat is een kleine winst.

Maar het verandert niets aan de vraag of de onderliggende indicator stikstof wel de juiste is.

Neem bijvoorbeeld de conclusie dat de nieuwe kilometerzones rondom natuurgebieden veel effect zouden hebben. Dat kan binnen het model volledig juist zijn. Alleen zegt dat nog niet automatisch iets over de daadwerkelijke natuurkwaliteit. En laat het daar nu juist om gaan!

Wanneer een gebied kampt met verdroging, verzuurde bodem, een te hoge grondwateronttrekking, achterstallig beheer of een verkeerde vegetatiesamenstelling, lost een lagere berekende depositie dat probleem niet vanzelf op.

Sterker nog, we beschikken inmiddels over voldoende ecologische kennis om te weten dat in veel Natura 2000-gebieden juist hydrologisch herstel en beheer veel grotere effecten kunnen hebben dan generieke emissiereducties op kilometers afstand.

Dat is precies waarom wij in Van Verwarring naar Verbinding hebben gepleit voor een veel bredere benadering. Niet langer uitsluitend sturen op modelmatig berekende depositie, maar uitgaan van de feitelijke staat van instandhouding van natuurgebieden. Begin bij de natuur zelf. Analyseer welke factoren daar daadwerkelijk beperkend zijn. Kijk vervolgens welke maatregelen lokaal het meeste effect opleveren.

Dat is ecologisch logischer. Economisch goedkoper. En uiteindelijk juridisch waarschijnlijk ook robuuster.

Want uiteindelijk gaat de Europese Habitatrichtlijn niet over modeluitkomsten.

De richtlijn gaat over natuurherstel. Dat onderscheid is essentieel.

Nederland heeft zichzelf jarenlang gevangen gezet in een systeem waarin modellen steeds belangrijker zijn geworden dan metingen en waarin berekende deposities belangrijker lijken dan de feitelijke ontwikkeling van natuurgebieden.

Dat leidt tot vreemde situaties.

Een bedrijf kan volledig vastlopen op enkele mol berekende depositie, terwijl niemand kan aantonen dat deze bijdrage daadwerkelijk meetbaar is in het betreffende natuurgebied. Tegelijkertijd kunnen structurele problemen zoals verdroging, versnippering of achterstallig beheer jarenlang blijven bestaan.

Dat voelt voor veel mensen niet alleen onrechtvaardig.

Het is ook een onevenwichtige manier van prioriteren.

De echte uitdaging voor de komende jaren is daarom niet het ontwikkelen van steeds snellere rekenmodellen.

De echte uitdaging is het verbreden van onze blik.

Gebruik modellen waarvoor ze geschikt zijn (Grote regio’s en landelijk).

Gebruik metingen waar dat mogelijk is.

Accepteer de onzekerheden die onvermijdelijk zijn.

En richt beleid uiteindelijk op datgene waarvoor het bedoeld is: het daadwerkelijk verbeteren van natuur.

Ton Brouwer zal ongetwijfeld inhoudelijk ook reageren (in de whatsapp groep), en dat debat is waardevol. Hij behoort zonder twijfel tot de beste modelleurs van Nederland. Maar juist daarom zou het interessant zijn als ook hij de stap zou zetten van model naar systeem. Van depositie naar ecologie. Van rekenen naar natuur.

Want de vraag die uiteindelijk beantwoord moet worden is niet hoe snel wij stikstof kunnen berekenen. De vraag is of Nederland in 2035 daadwerkelijk over een gezondere natuur beschikt. Dat is een veel belangrijkere opgave. En die laat zich niet vangen in één model, hoe snel dat model ook rekent. We moeten echt uit de deze gordiaanse stikstof-model knoop zien te komen.

Plaats een reactie