De verkoop van OCI Nitrogen in Geleen aan het Tsjechische concern Agrofert lijkt op het eerste gezicht een normale bedrijfstransactie. Een eigenaar vertrekt, een nieuwe eigenaar neemt het stokje over. De fabriek blijft draaien, ongeveer 550 medewerkers behouden hun baan en de productie van kunstmest, ammoniak en melamine gaat door. In Limburg werd het nieuws daarom met opluchting ontvangen.
Maar wie iets dieper kijkt, ziet dat hier meer speelt dan een overname. De verkoop van OCI Nitrogen is een spiegel voor Nederland. Het laat zien hoe ons land steeds ongemakkelijker omgaat met zijn eigen industriële basis, terwijl andere Europese landen juist de strategische waarde daarvan blijven herkennen.
Ammoniak is in Nederland een beladen woord geworden. Voor veel mensen is het inmiddels vrijwel synoniem aan stikstofproblematiek, Natura 2000, vergunningen en juridische procedures. Daardoor vergeten we soms dat ammoniak ook een van de belangrijkste industriële moleculen ter wereld is. Zonder ammoniak geen kunstmest. Zonder kunstmest geen moderne landbouw. Zonder landbouw geen voedselzekerheid voor honderden miljoenen Europeanen.
Vrijwel alle stikstof in ons voedsel heeft ooit een fabriek gezien.
Dat klinkt misschien overdreven, maar dat is het niet. Sinds het begin van de twintigste eeuw wordt ammoniak op industriële schaal geproduceerd via het Haber-Boschproces. Die uitvinding wordt vaak genoemd als een van de belangrijkste technologische doorbraken uit de menselijke geschiedenis. Naar schatting is vandaag de dag ongeveer de helft van de wereldbevolking afhankelijk van voedsel dat alleen geproduceerd kan worden dankzij stikstofkunstmest.
Toch lijkt Nederland steeds minder goed te weten wat het met deze industrie aan moet.
De afgelopen jaren zagen we een reeks vergelijkbare bewegingen. DSM trok zich terug uit de traditionele bulkchemie. SABIC herschikt zijn Europese activiteiten. Fibrant bouwt delen van zijn caprolactamproductie af. Nu verkoopt OCI zijn laatste grote stikstofactiviteiten in Nederland. Iedere keer wordt gesproken over portfolio-optimalisatie, focus op kernactiviteiten of het vinden van een betere eigenaar.
Dat zijn begrijpelijke zakelijke argumenten. Maar gezamenlijk vertellen ze ook een ander verhaal: Nederland wordt steeds minder aantrekkelijk voor energie-intensieve industrie.
Hoge energieprijzen, toenemende regeldruk, complexe vergunningprocedures, netcongestie en een steeds onduidelijker investeringsklimaat maken het lastig om langetermijnbeslissingen te nemen. Voor een fabriek die tientallen jaren moet draaien zijn dat geen details, maar fundamentele randvoorwaarden.
Tegen die achtergrond is de stap van Agrofert interessant.
Het Tsjechische concern ziet blijkbaar voldoende toekomst in de locatie in Geleen om honderden miljoenen euro’s te investeren. Dat is geen liefdadigheid. Agrofert is een van de grootste agro-industriële bedrijven van Europa en begrijpt als geen ander de samenhang tussen energie, ammoniak, kunstmest en voedselproductie.
Waar Nederland ammoniak steeds vaker uitsluitend bekijkt vanuit de bril van emissies en natuurbeleid, kijkt Agrofert naar dezelfde molecule als een strategische grondstof.
Dat verschil in perspectief is veelzeggend.
Nederland spreekt graag over strategische autonomie. We willen minder afhankelijk worden van China, minder afhankelijk van Rusland en meer controle krijgen over essentiële productieketens. Tegelijkertijd maken we het steeds moeilijker om juist die productieketens binnen Europa overeind te houden.
Dat leidt tot een paradox.
We willen voedselzekerheid, maar kijken met argwaan naar kunstmestfabrieken. We willen een sterke maakindustrie, maar worstelen met de aanwezigheid van zware industrie. We willen energietransitie én strategische autonomie, maar vergeten soms dat de overgang naar een duurzame economie enorme hoeveelheden chemische producten vereist.
Juist ammoniak kan daarin een belangrijke rol spelen. Niet alleen als grondstof voor kunstmest, maar mogelijk ook als energiedrager, opslagmedium voor waterstof en bouwsteen voor nieuwe industriële processen. Wereldwijd wordt daarom volop geïnvesteerd in zogenoemde groene ammoniak.
De vraag is dan ook niet of ammoniak verdwijnt uit de wereld. De vraag is vooral waar de productie plaatsvindt.
Europa kan ervoor kiezen om deze productie zelf te behouden en te verduurzamen. Of Europa kan besluiten afhankelijk te worden van import uit andere regio’s. Dat is een politieke keuze.
Vanuit het perspectief van het stikstofdossier is deze ontwikkeling eveneens interessant. Nederland voert al jaren een fel debat over stikstof, emissies en vergunningen. Vaak lijkt daarbij de indruk te ontstaan dat stikstof uitsluitend een probleem is dat moet worden bestreden.
Maar stikstof is tegelijkertijd een essentieel onderdeel van vrijwel alle biologische en industriële processen. De uitdaging is niet om stikstof uit de samenleving te verwijderen. De uitdaging is om stikstofstromen verstandig te beheren.
Dat geldt voor landbouw, maar evenzeer voor de chemische industrie.
De verkoop van OCI Nitrogen laat zien dat andere partijen deze strategische betekenis nog steeds herkennen. Terwijl Nederland worstelt met de vraag hoe de industrie past binnen een duurzame toekomst, ziet een Tsjechisch concern een bedrijf dat geld kan verdienen, voedselproductie ondersteunt en onderdeel vormt van een Europese waardeketen.
Misschien is dat wel de belangrijkste les van deze overname.
Niet dat Nederland iets heeft verloren, maar dat Nederland zichzelf een vraag moet stellen.
Willen we in de toekomst nog een land zijn dat produceert? Een land dat zelf kunstmest maakt, chemische producten ontwikkelt en industriële kennis opbouwt? Of willen we vooral een land worden dat consumeert, importeert en reguleert?
De fabriek in Geleen geeft daarop geen antwoord.
Maar de verkoop ervan houdt ons wel een spiegel voor.
En soms vertelt een spiegel meer over een land dan een beleidsnota van honderd pagina’s.

Plaats een reactie